Verslag erfgoedteam: vondstmeldingen in de gemeentelijke praktijk

Het Erfgoedteam Vondstmeldingen in de gemeentelijke praktijk vond plaats op 20 augustus 2020. Julius van Roemburg (het PAN-project) vertelde over hoe het PAN-project en hun omgang met vondstmeldingen. Margot de Haan (Steunpunt Monumenten & Archeologie Noord-Holland) vertelde over de resultaten van haar onderzoek naar vondstmeldingen in de gemeentelijke praktijk. Het erfgoedteam werd voorgezeten door Marjorie Verhoek. De centrale vraag tijdens dit erfgoedteam was:

Hoe kun je vondstmeldingen gebruiken om contacten te leggen of te verbeteren met de mensen in je gemeente die vondstmeldingen doen?

Julius van Roemburg: Het PAN project

Het PAN-project had bij de oprichting het doel om oudheidkundige collecties in privébezit te documenteren en online te publiceren, zodat de informatie voor iedereen toegankelijk wordt. Hierbij richtten zij zich met name op vondsten gedaan met een metaaldetector. Julius van Roemburg, vondstenregistrator voor Noord-Holland bij het project, vertelde dat er sinds de start van het project in 2016 al zo’n 75.000 vondsten zijn gemeld, door ongeveer 1.000 zoekers. Dat zijn grote aantallen, die een grote bijdrage kunnen leveren aan onze kennis over archeologie.

Context van de vondstmeldingen

De meeste meldingen komen uit het rivierengebied, de hoek rondom Nijmegen en Gelderland (dit ondanks het feit dat er een detectorverbod is rondom Nijmegen). Er worden hier veel Romeinse vondsten gedaan, naast redelijk wat prehistorische vondsten en enkele Vroegmiddeleeuwse vondsten. Naast Nijmegen is ook Friesland populair voor metaal-detectoristen. Verder wordt er ook veel gezocht in de steden in het westen, maar dit is meer gelegenheidswerk. De steden zijn grotendeels volgebouwd, waardoor er slechts weinig plekken beschikbaar zijn waar je met een metaaldetector aan de slag kan. Bij grote bouwwerkzaamheden komt er echter wel ineens veel naar boven. Bij sommige projecten worden er wel duizenden vondsten gedaan in de stort!

Het type vondsten dat wordt gedaan is afhankelijk van een aantal dingen. Zo moet de vondst moet redelijk aan het oppervlakte liggen, en goed bewaard gebleven zijn. Aan de andere kant speelt er een ‘finders bias’: zoekers stellen hun detectoren in op een behaalde diepte en bepaalde soorten metaal. Daarbij is er een algemene voorkeur voor dezelfde instellingen. Hierdoor zijn de vondstmeldingen niet helemaal representatief voor het archeologische bodembestand.

Achterstand wegwerken

Het PAN-project is een aantal jaren geleden gestart om met name oudere collecties te registreren, die de afgelopen 40 jaar zijn opgebouwd. Eind jaren ‘70 van de vorig eeuw kwam de metaaldetector op de markt. Eind jaren ‘80 nam het aantal metaal-detectoristen toe, ondanks het feit dat in deze tijd het gebruik hiervan, om te zoeken naar archeologische vondsten, nog verboden was. In deze tijd ontstonden de eerste detectorcollecties. Onder andere vanwege de inmiddels soms hoge leeftijd van deze eerste generatie detectoristen, is het belangrijk dat deze collecties zo snel mogelijk worden geregistreerd, nu de vinder ook nog over de context kan vertellen. Anders gaat deze informatie verloren. Er is verder een grote kans dat de vondsten verdwijnen op marktplaats of bij het afval.

Daarnaast registreert PAN ook steeds meer nieuwe vondsten. Met de lancering van de PAN-app in 2020 kunnen vinders dit relatief eenvoudig ook zelf doen.

Communicatie met metaal-detectoristen

Het is soms lastig om metaal-detectoristen ervan te overtuigen hun vondsten te melden. Dit heeft verschillende redenen. Er heeft onder deze groep lang een gevoel van wantrouwen geheerst richting de ‘gevestigde’ archeologen. Veel collecties zijn (deels) opgebouwd vóór 2016, toen metaaldetectie met de ingang van de Erfgoedwet toegestaan werd. Bovendien hebben veel detectoristen een vaste plek waar zij graag zoeken. Als zij een melding doen zijn ze bang dat deze locatie publiek wordt gemaakt en dat er meer amateurs komen zoeken, of dat archeologen de plek gaan opgraven. Of ze vrezen dat de vondsten in beslag zullen worden genomen.[1] Ook onduidelijke regelgeving en een aantal gevallen waarin het mis is gegaan en locaties inderdaad publiek werden gemaakt ondanks beloften, hebben de relatie op scherp gezet.

Inmiddels zit hier gelukkig verandering in. Door zelf actief contact te zoeken met de gemeenschap neemt het vertrouwen, en het aantal metaal-detectoristen dat meldingen doet gestaag toe. Rekening houdend met de wensen van veel detectoristen, geeft de website van PAN alleen weer in welke gemeente een vondst is gedaan. Bij de registratie van een vondst wordt wel gevraagd om een meer exacte locatie door te geven, zodat archeologen en gemeenten hier gebruik van kunnen maken in hun onderzoek en het opstellen van de verwachtingskaarten. Als een melder hier ook bezwaar tegen heeft, wordt ook bij de registratie alleen de gemeente gemeld. Meldingen zonder enige locatie zijn niet mogelijk.

De meerwaarde van PAN

Soms komen er bij PAN topvondsten terecht, die zelfs in musea terechtkomen. Een voorbeeld hiervan is een Romeinse helm, die Julius van Roemburg heeft gevonden in een privé verzameling in Leiden. Deze helm heeft een plek gekregen in de tentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden.

Sinds 2016 is met de Erfgoedwet het zoeken met een metaaldetector toegestaan, en werd de meldingsplicht ingevoerd. Maar wat kun je met deze losse vondsten? Vaak gaat het om vondsten zonder (duidelijke) context. Toch kunnen ze zowel voor archeologen als gemeenten een grote meerwaarde hebben.

  • Verbetering contact tussen zoekers en gemeenten
  • Verbetert het inzicht op de verspreiding
  • Verbetering beleidsvorming
  • Participatie

Deze vondsten kunnen onder andere gebruikt worden om verspreidingskaarten aan te vullen. Deze informatie kan vervolgens gebruikt worden voor verwachtingskaarten en beleidsvorming. Als bijvoorbeeld er veel middeleeuws materiaal in een bepaald gebied wordt gevonden, kan dit er op wijzen dat er ergens in de buurt een nederzetting ligt. Daarnaast heeft de informatie uit vondstmeldingen ook een wetenschappelijk waarde. Één losse vondst kan misschien niet zo veel vertellen. Maar veel losse vondsten samen kunnen archeologen heel veel vertellen. Een recent voorbeeld hiervan is de verspreiding van Romeins militair materiaal. Dit materiaal wordt geassocieerd met de aanwezigheid van het Romeinse leger. Het Romeinse leger rekruteerde massaal onder de plaatselijke bevolking, en lang werd aangenomen dat hun invloed ophield bij de Limes. Vondstmeldingen laten echter zien dat dit Romeinse materiaal ook in Friesland en Groningen gevonden wordt. Dit lijkt erop te wijzen dat het Romeinse leger ook buiten de veroverde gebieden rekruteerde.

Margot de Haan: Onderzoek Vondstmeldingen

Margot de Haan heeft in 2019 voor het Steunpunt Monumenten en Archeologie Noord-Holland onderzoek verricht naar vondstmeldingen bij de gemeenten door particulieren. Het ging hierbij zowel om meldingen door amateurarcheologen en detectoramateurs, als om eenmalige meldingen door mensen die toevallig iets vinden.

Weinig tot geen meldingen bij gemeenten

Uit het onderzoek werd al vrij snel duidelijk dat er weinig tot geen meldingen worden gedaan bij de gemeenten. Terwijl we weten dat er wel veel vondsten gedaan worden. Ook werd duidelijk dat áls er een melding wordt gedaan, het voor gemeenten niet altijd duidelijk is wat hier vervolgens mee moet gebeuren. De wet zegt dat een archeologische vondst altijd gemeld moet worden. Maar wie is hiervoor eindverantwoordelijke bij een particuliere melding? De gemeente, de regioarcheoloog of archeologisch adviseur, of het RCE? Nadat een melding door de gemeente is doorgegeven aan een archeoloog, is het contact tussen de melder en de gemeente meestal afgelopen. Terwijl in dat contact nu juist veel te winnen is. Door vanuit de gemeente terug te koppelen naar de melder, wordt deze beter bij het proces betrokken, en voelt deze zich meer gewaardeerd. Hiermee groeit de motivatie om vaker te melden.

Ook op het gebied van informatievoorziening is nog veel te winnen. Tijdens het onderzoek in 2019 bleek dat op de meeste gemeentelijke websites geen informatie over archeologie of vondstmeldingen te vinden is voor particulieren.

Meldingsplicht. En dan?

In de wet staat dat de vinder een meldingsplicht heeft bij de minister. In de praktijk is dit bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed neergelegd. Zij hebben voor particulieren een vondstmeldingenformulier, maar deze is voor veel amateurs moeilijk in te vullen, en vraagt vrij exacte informatie. Bovendien moet een vinder maar weten dat dit formulier bestaat, en waar ze het kunnen vinden.

In de praktijk heeft een vinder aan de meldingsplicht voldaan, als ze melding maken van de vondst bij de lokale autoriteit. Dit kan zo beperkt zijn als een mailtje of een ingesproken voicemail bericht. Of er verder iets met deze melding wordt gedaan (en of deze wel wordt opgemerkt), is dan uit hun handen. Veel meldingen lopen hier vast, omdat de melding niet bij de juiste persoon of instantie wordt gedaan, en men niet weet wat ermee moet gebeuren.

Amateur-archeologen doen waarschijnlijk de meeste meldingen, al zijn het er niet veel. Sommigen geven er de voorkeur aan om zelf de determinatie te doen en dan zien ze het nut niet meer van melden bij een gemeente/archeoloog. Amateur-archeologen registreren de informatie vaak zelf in hun eigen administratie. Deze groep heeft vaak directe lijnen met de verantwoordelijk ambtenaar, het depot, en/of de regioarcheoloog.

Daarnaast gebeurt het zelden dat toevallige vinders hun vondst(en) melden. Een echt toevallige vondst is relatief zeldzaam. Aangezien toevallige vinders verder niet (echt) bekend zijn met archeologie is informatievoorziening erg belangrijk.

Hoe beter de relatie tussen amateurarcheologen en detectoristen is, hoe groter de kans dat vondsten gemeld worden. Het is voor gemeenten dus van belang om er voor te zorgen dat dit proces goed verloopt. PAN kan hier eventueel een rol in spelen. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld naar de PAN-website, of de PAN-app verwijzen. Wel is het hierbij belangrijk dat melders niet het gevoel krijgen te worden afgescheept met een doorverwijzing. Het doen van een melding kan voor zowel melder als de gemeente een stuk eenvoudiger met de PAN-app, maar het is belangrijk dat ook de gemeente hier een actieve rol in speelt.

Protocol Vondstmeldingen

Naar aanleiding van het onderzoek in 2019 is het Steunpunt nu bezig met de ontwikkeling van het Protocol Vondstmeldingen. In dit protocol wordt op een eenvoudige, stapsgewijze manier aangegeven wat de rechten en plichten zijn van particulieren bij een vondstmelding, en hoe ze daaraan kunnen voldoen. Het voornaamste doel van het protocol is om mensen te stimuleren om hun vondst te melden, en ze te informeren hoe ze dat kunnen doen. Hierbij zal verwezen worden naar het PAN-project, én naar gemeenten.

Het protocol komt op de website van het Steunpunt Monumenten & Archeologie Noord-Holland, maar zal ook naar de gemeenten worden gestuurd, zodat zij het (indien zij dat willen) op hun website kunnen plaatsen.

Discussie
Vondstmeldingen in de gemeentelijke praktijk

Ook tijdens de discussie werd het weer duidelijk dat er bijna geen vondstmeldingen binnenkomen bij de gemeenten. De ambtenaren geven aan dat als er wel een melding zou zijn ze wel in gedachten hebben wie ze zouden contacteren. Zo worden de regioarcheoloog, verenigingen en NMF Erfgoedadvies genoemd. Er is zeker behoefte aan een structuur en daarbij een standaard tekst om op de website te zetten, zoals het Protocol Vondstmeldingen.

Er is behoefte aan meer inzicht op wat er en hoeveel er wordt gevonden. Hiervoor kunnen gemeentes bijvoorbeeld kijken op de website van PAN. Als gemeenten meer informatie willen kunnen ze een aanvraag doen als gemeente bij PAN om toegang te krijgen tot meer details.

Protocol Vondstmeldingen op gemeentelijke websites

De wens werd geuit dat het Protocol Vondstmeldingen de gemeentelijke websites wordt geplaatst. Dit zou de informatievoorziening naar particulieren enorm verbeteren. Dit kunnen we alleen bereiken in samenwerking met de gemeenten. Het protocol kan aangeleverd worden met een korte tekst voor op de pagina en een aantal tags waardoor het beter gevonden kan worden. Het protocol zelf kan op de website worden gezet met de tekst, of een link naar het protocol op de Steunpunt website. Om dit te testen wordt er een pilot opgezet bij twee gemeenten in Noord-Holland. Dat het nuttig is om een standaard tekst voor melders op de gemeentelijke website te hebben, daar lijkt iedereen het over eens te zijn. Het idee komt op om er misschien ook meer aandacht in de media voor te geven. Geprinte versies van deze teksten als hand-outs zijn daarnaast handig voor in het gemeentehuis.

Het was al met al een geslaagde bijeenkomst, waarbij verschillende belanghebbenden van elkaars inzicht hebben kunnen leren. Vondstmeldingen kunnen een belangrijke rol spelen in onder andere beleidsvorming en participatie. Het PAN-project is hiervan een goed voorbeeld. Het Protocol Vondstmeldingen is nog in de maak, maar de gemeenten lijken nu al enthousiast erover. Er is veel positief aan het veranderen met betrekking tot hoe er wordt omgegaan met vondstmeldingen.

[1] Dit gebeurt niet, tenzij een vondst onrechtmatig is gedaan, bijvoorbeeld op privégrond zonder toestemming van de eigenaar. Een vinder heeft het recht de vondst te behouden. Wel vraagt de wet dat deze 6 maanden ter beschikking wordt gesteld voor onderzoek.

Beeldverantwoording: Linda Verniers , NMF Erfgoedadvies