Erfgoedteam: Tuinarcheologie 

Het herinrichten, reconstrueren en restaureren van historische tuinen vraag om keuzes in het ontwerp en in de uitvoering. Welke ontwerpfase van de tuin wordt gereconstrueerd, welk verhaal staat centraal, welke beplanting wordt daarbij gekozen? Belangrijke achtergrondkennis bij dergelijke besluiten volgt uit tuinhistorisch en tuinarcheologisch onderzoek. Welke mogelijkheden biedt tuinarcheologisch onderzoek, is het vergelijkbaar met reguliere archeologische methoden en technieken, en hoe pas je de bevindingen toe in het ontwerp? Tijdens het Erfgoedteam over tuinarcheologie op woensdag 21 juni 2023 kwamen deze onderwerpen ter sprake. 

Jan van Doesburg, senior archeoloog Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bij de RCE, en Robin Koot, bouwkundig projectleider bij stichting Monumentenbezit, presenteerden in het Erfgoedteam de mogelijkheden van dit onderzoek naar tuinen in algemene zin en middels voorbeelden uit de tuin van Trompenburgh in ’s Gravenland. 

Tuinarcheologie – Jan van Doesburg

Er zijn veel voorbeelden van prachtige historische tuinen zoals Terworm, Neercanne en bij Paleis het Loo. Hoe is zo een tuin tot stand gekomen? Hoe weten we wat daar gereconstrueerd is, is wat het geweest is? Wat is de toegevoegde waarde van tuinarcheologie, wat kun je ermee?  Bij het beheren van historische tuinen vinden veel ingrijpende veranderingen plaats. Te denken valt aan het verwijderen van boomstronken, het uitgraven van sloten en de aanleg van paden. Daarbij worden vaak ook resten van voorgaande perioden blootgelegd door eigenaren of erfgoedhoveniers. Deze resten verdwijnen als zij niet goed worden gedocumenteerd. Het is aan archeologen om resten goed te documenteren, zodat de verhalen van historische tuinen bewaard blijven en de ontwerpen als inspiratie kunnen dienen bij nieuwe inrichtingen.  

Een klein aantal tuinen is van rijkswege beschermd, zoals klooster- en kasteeltuinen of buitenplaatsen met historisch groen. Gemeenten kunnen tuinen beschermen door deze als gemeentelijke monumenten aan te wijzen, of door deze op te nemen in archeologische verwachtingskaarten. Bij de aanvraag van omgevingsvergunningen vanwege ontwikkelingen of werkzaamheden is archeologisch onderzoek dan verplicht. Archeologische onderzoeksbureaus voeren dit onderzoek uit op basis van een Programma van Eisen. De Rijksdienst voor het Cultuur Erfgoed (RCE) en de provincies spelen daarnaast ook een rol in het onderzoek, onder andere door het opstellen van onderzoeksvragen in de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA). 

Tuinen onderzoeken van achter het bureau: historisch onderzoek in de praktijk

Het startpunt van onderzoek naar tuinen is een historisch onderzoek. Tuinhistorisch onderzoek betreft de studie van schriftelijke bronnen en kaarten. Bij archeologisch onderzoek is de eerste fase het bureauonderzoek, waarna historische gegevens worden aangevuld met gegevens uit veldonderzoek. Het is echter beter en efficiënter om tuinen interdisciplinair te onderzoeken, en historische en archeologische gegevens te combineren. Het gaat immers om hetzelfde onderwerp van studie. 

In het tuinhistorisch onderzoek worden verschillende bronnen benut. Historische kaarten zijn belangrijke bronnen in zowel het tuinhistorisch als het tuinarcheologisch onderzoek. Ze weerspiegelen vaak een ideaalsituatie in een bepaalde periode, maar geven geen beeld van de gerealiseerde tuinen. Het zijn momentopnames: niet alle kleine aanpassingen aan de inrichting zijn verwerkt. Om de ontwikkeling van een tuin te reconstrueren zijn daardoor veel kaarten nodig. Inventarislijsten bij inboedelbeschrijvingen van landgoederen zijn daarnaast een belangrijke bron: vaak is uitgebreid beschreven welke ornamenten en vazen aanwezig waren in de tuin. Als voorbeeld geeft de inventarislijst uit huis te Ankeveen uit 1749 goed inzicht in welke beelden, vazen en dieren aanwezig waren. Informatie over welke planten in de tuin groeiden stond daar echter vaak niet bij. Soms geven aantekeningenboekjes van hoveniers over leveringen van specifieke planten wel een idee van de beplanting, maar informatie over waar de planten precies stonden ontbreekt. Deze boeken van hoveniers zijn ook een belangrijke bron vanwege de informatie over kweekmethoden, elementen en beplantingswijzen, snoeitechnieken, welke plantensoorten beter waren, opbrengsten, hoe tuinlieden werkten, wat verder in de tuinen stond, en over gereedschappen. In archeologische context worden gereedschappen zelden teruggevonden. 

Bij een archeologisch bureauonderzoek wordt ook gebruik gemaakt van een analyse van hoogtebeelden uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). In duidelijke patronen van hoge beplanting en paden kunnen bijvoorbeeld doolhoftuinen worden onderscheiden. Met name in tuinen waarbij gewerkt is met hoogteverschillen kunnen AHN-hoogtebeelden historische tekeningen en beschrijvingen verduidelijken. 

De tuin in: archeologische prospectie

Geofysisch onderzoek zoals grondradaronderzoek geeft de mogelijkheid om een bodem te inspecteren zonder historische tuinen op te graven, het is non-destructief. Bij grondradaronderzoek wordt over een terrein gereden met een sonarapparaat dat signalen de bodem instuurt die weerkaatsen op fenomenen die in de bodem liggen en afwijken van omliggende grond. Bijvoorbeeld op bij (bak)stenen structuren. De sterkte van de weerkaatsing is afhankelijk van de samenstelling van het materiaal van die resten én van de soort omliggende grond. De mate van weerkaatsing wordt vertaald naar kleurverschillen op beeld. Gegraven elementen, gebouwresten van baksteen of natuurstenen ornamenten in de bodem kunnen op die manier worden opgespoord. Organische resten of plantgaten weerkaatsen geen signalen, en zijn daardoor ook niet herleidbaar met grondradaronderzoek.  

‘Hard landscaping’ en ‘soft landscaping’ archeologisch onderzocht

Een tuinarcheologische opgraving vergt methodisch gezien een eigen, afwijkende aanpak ten opzichte van normaal archeologisch veldonderzoek. De resten van oude tuinen bevinden zich vaak in de bovenste halve meter grond die veel geroerd wordt bij ontwikkelingen. Bij standaard archeologisch onderzoek wordt meestal juist gezocht naar dieper gelegen fenomenen en wordt deze toplaag juist afgegraven. De elementen die voorkomen bij tuinarcheologisch onderzoek worden grofweg verdeeld in twee categorieën; elementen die wijzen op ‘hard landscaping’; het gebruik van constructiematerialen, en elementen die wijzen op ‘soft landscaping’ waarbij het gaat om de gekozen beplanting.

Elementen van ‘hard landscaping’ van tuinen zijn archeologisch vaak goed herkenbaar, zoals de funderingen van gebouwen als theekoepels. Of het gaat om tuinpaden met bestrating, die vaak erg ondiep (5-10 cm) onder het maaiveld liggen en met een dunne laag grond zijn afgedekt. Dergelijke paden kunnen vergeleken worden met het beschikbare t historisch kaartmateriaal, waardoor ook achterhaald kan worden in hoeverre het oorspronkelijke ontwerp uitgevoerd is, of wellicht behoort het aangetroffen tuinpad tot een oudere of nieuwere fase van de tuinaanleg. Soms bestaat er een duidelijke samenhang met specifieke vondsten (de materiële cultuur) die de functie van het gebouw weerspiegelen, zoals van een thee- of koffieservies in de buurt van theekoepels. Vondsten die vrij eenvoudig een beeld geven van de inrichting zijn tuinvazen. Scherven van dergelijke vazen werden ook wel secundair gebruikt als verharding in tuinpaden. Vondsten als exotische schelpen, mineralen en koralen kunnen duiden op de aanwezigheid van bijzondere tuinelementen zoals aangelegde grotten (grotto). 

Onderzoek in Duivenvoorde. Vlak onder het maaiveld liggen de resten van een tuinpad. Fotograaf: J. van Doesburg, RCE.

Gegraven elementen zoals sloten of vijvers, eventueel ook fonteinen, duiden ook op hard landscaping. Soms is alleen de vorm van een vijver zichtbaar door grondverkleuringen. Maar er zijn ook gevallen bekend waarin juist de minder massieve resten bewaard bleven, zoals houten bekisting en beschoeiingen of aanwijzingen van watertoevoer, zoals houten goten en kanalen. Losse steentjes op de plek van een vijver kunnen duiden op mozaïek in de bodem of wanden. Plantenresten op de bodem van vijvers worden benut voor vegetatiereconstructies. Sloten manifesteren zich als donkere banen in bijvoorbeeld duinzand. De diepte van dergelijke sporen varieert, maar de eerste sporen kunnen al heel ondiep onder graszoden liggen. 

Archeologische aanwijzingen voor de inrichting van tuinen middels beplanting manifesteren zich ook vaak als niet-massieve sporen (grondverkleuringen) in de bodem. Ze zijn het gevolg van bijvoorbeeld grondverbeteringen in plantenbedden, of het zijn plantgaten of kuilen voor de aanplant van nieuwe gewassen en bomen. Dergelijke sporen moeten systematisch worden gedocumenteerd om patronen te onderzoeken. Wat precies gegroeid heeft in en rondom de tuin en in het omringende landschap is niet te bepalen op basis van de archeologische sporen; maar daarvoor is het archeobotanisch onderzoek naar plantenresten, pollen en zaden van groot belang. Op basis daarvan kan de soortenvariëteit in de tuin worden onderzocht. 

Klik op de < > om meer foto’s te zien

Casus Trompenburgh: de tuin van Cornelis Tromp – Robin Koot

Het tuinonderzoek naar de tuin van Trompenburgh is een goed voorbeeld van multidisciplinair onderzoek. Trompenburgh in ’s Gravenland (gemeente Wijdemeren) is gebouwd in het 3e kwart van de 17e eeuw. Een voorloper van het huis werd in 1673 door de Fransen gebrandschat, ook de tuin werd daarbij verwoest en bomen werden gekapt. Het huis is door bewoner Cornelis Tromp herbouwd in 1677. Ook werd bij het huis rond die periode de tuin ontwikkeld. Het huis en tuin horen bij elkaar in één ontwerp; het is een Gesammtkunstwerk.

In 2020 is Stichting Monumentenbezit gestart met de restauratie die zich richt op vier delen: het interieur moet hersteld worden, het huis moet energiezuiniger gemaakt worden en de tuin moet worden gerestaureerd, bovendien wordt gewerkt aan openstelling van de buitenplaats voor publiek. Niet het hele landgoed wordt gerestaureerd; dit strekt zich uit over een lengte van 2 km, de restauratie wordt toegespitst op het voorste deel. Het weiland erachter en de eikenlaan blijven zoals het nu is. In opdracht van de vorige eigenaar, het Rijksvastgoedbedrijf, is een toekomstvisie opgesteld voor het landgoed bestaande uit het huis, de eilanden en het noordelijk schiereiland, het parkachtig landschap dat in de 18e eeuw is gerealiseerd en de resten van de moestuin. 

Het landgoed is cultuurhistorisch geanalyseerd en gewaardeerd. Daarbij is gebruikgemaakt van prenten uit 1750 en kaartmateriaal. Een belangrijke bron in het onderzoek is een aquarel ‘De Hofstede Syllisburgh’ uit 1704 met daarop een vogelvluchttekening, een gedetailleerde plattegrond en twee aanzichten van het huis van Trompenburgh met de tuin. De aquarel is bedoeld als een soort verkoopbrochure van het huis. Door de aquarel te vergelijken met de huidige situatie zien we wat nog aanwezig is van 17e-eeuwse opzet en wat veranderd is: 

  • Twee eilanden aan weerszijden van het huis; die in de huidige situatie nog redelijk duidelijk herkenbaar zijn;  
  • Een vijver die al sinds de 17e eeuw aanwezig is; 
  • De formele, classicistische tuin met parterres en beeldengroepen uit de 17e eeuw is geheel veranderd in een landschappelijke tuin met een tuinmanswoning met een rijksmonumentale status; 
  • De fruitboomgaard achter de landschappelijke tuin is een moestuin geworden, de rest is nu weiland; 
  • Een bomenlaan die de hele tuin en boomgaard omsloot en de nutstuin (moestuin) achter de formele tuin en de boerderij met stalgebouw met wat fruitbomen uit de 17e eeuw zijn verdwenen en veranderd in weiland. 

In de eerdergenoemde toekomstvisie is gekeken naar de bestaande situatie en haar geschiedenis, en de nieuwe situatie. In de visie is gekozen om het deel van de eilanden en vooral het huis te herstellen. Veel van de 17e-eeuwse structuur is nog over, wat belangrijk is voor het verhaal over het gebruik en de beleving van het huis. Van het landschappelijke deel van de tuin wordt de structuur hersteld, de kwaliteit en monumentaliteit van de bomen en de tuinmanswoning worden gehandhaafd. De 17e-eeuwse situatie met de boomgaard wordt gereconstrueerd, voor het deel achter de boomgaard zijn geen plannen, en het weiland en de eikenlaan worden behouden. 

In 2012 is het nieuwe tuinplan voor het landschappelijke deel gerealiseerd. Daarbij zijn de meanderende paden rond de vijver en in het bosgebied hersteld. Toen in 2016 Trompenburgh in bezit kwam van Stichting Monumentenbezit, is in eerste instantie de nadruk op herstel van het huis gelegd. Kort daarna (2019) is bij de restauratieplannen van het huis ook de tuin betrokken. Om de toekomstvisie tot een ontwerp te verwerken, is een iets bredere, historische analyse benut. Daarbij is opgevallen dat het oorspronkelijke ontwerp van de tuin goed paste in een roedesysteem van 50 roeden breedte en 100 roeden lengte. Op basis van de aquarel uit 1704 is vervolgens een ontwerptekening gemaakt.  

In 2021-2022 heeft stichting Monumentenbezit onderzoek gedaan waarbij de situatie van de ontwerptekening, afgeleid van de aquarel uit 1704, is geprojecteerd op het AHN. Veel fenomenen komen keurig overeen, andere net niet. Zo lijkt de vijver iets verplaatst te zijn in het ontwerp van 1704 en zijn ook de eilanden zijn net iets anders in opzet in werkelijkheid. Het ligt niet voor de hand dat deze iets zijn vergroot of verplaatst. Deze bevindingen leidden tot een belangrijke vraag in het onderzoek; wat is nu de werkelijke waarde van de plattegrond uit 1704? Het kan zijn de aquarel een geïdealiseerde weergave van de tuin is, maar dat bij de aanleg van de tuin iets is afgeweken van het ontwerp.  

Archeologisch onderzoek en geofysisch onderzoek

Bij het opstellen van de toekomstvisie is archeologisch (geofysisch) onderzoek uitgevoerd door middel van grondradaronderzoek. Daarbij is een opmerkelijk detail aangetroffen: een knik in de sloot aan de zuidzijde bleek in een andere vorm aanwezig te zijn geweest. Duidelijk is dat de sloot is verlegd om de tuin aan te kunnen leggen. Ook is de voorzijde of entreezijde van het huis onderzocht. Op kadastrale minutenkaarten is een schuine lijn in de oever gevonden, die is niet zichtbaar op tekeningen uit de 17e eeuw of op prenten uit de 18e eeuw. Op basis van het grondradaronderzoek op deze plek werd deze schuine lijn wel vermoed, hoewel de bevindingen vrij onduidelijk zijn en nog nader onderzoek vergen. Aan de hand van vijf onderzoeksvragen is vervolgens archeologisch proefsleuvenonderzoek gedaan en zijn acht proefsleuven aangelegd.  

Klik op de < > om meer foto’s te zien

Aan de hand van de toekomstvisie en de hoogteverschillen op de hoogtekaart (AHN) is een aantal onderzoeksvragen opgesteld:  

  • 1. Waar heeft de sloot ten oosten van de boomgaard in de 17e eeuw precies gelegen? Kan uit een archeobotanisch grondmonster worden afgelezen welke planten en/of groenten in de tuin aanwezig waren? 
  • 2. Waar heeft het dwarspad ten westen van de boomgaard in de 17e eeuw precies gelegen, was langs het pad een bomenrij aanwezig?
  • 3. Was er een pad met dubbele bomenrij dat een rechthoek vormde op beide tuinvakken? 
  • 4. Wat betekenen de resten metselwerk ter hoogte van het meest zuidelijke eiland? Zijn dit resten van de 17e-eeuwse brug of dateren ze uit een latere periode? Indien het een deel van een brug betreft, hoe zag deze eruit?
  • 5. Waar lag de oeverlijn tegenover het huis en de toegangsbrug naar het huis in de
    17e eeuw?

In de proefsleuven zijn duidelijk de dubbele bomenrij, plantgaten van de bomenrij en kleinere plantgaten van mogelijk heesters gevonden. Ook het pad en verschillende sloten en een greppel zijn zichtbaar geworden. Van het pad is bijvoorbeeld een laag slakmateriaal gevonden dat gebruikt is als fundering. Uit een van de sloten is een grondmonster genomen voor archeobotanisch onderzoek, maar de inhoud bleek niet goed bruikbaar of gaf helaas vooral algemene informatie over boomsoorten die in de tuin of in de omgeving stonden in de 17e eeuw. In een van de sloten is aardewerk gevonden uit periode 1600-1650. Dit hangt vermoedelijk samen met de ontginning van het gebied vanaf 1625. In die tijd werd ‘s Gravenland ontgonnen: zand uit deze regio werd gebracht naar Amsterdam, in plaats van het zand kwam organisch materiaal terug om de grond vruchtbaar te maken. De sloot is tijdens de ontginning gebruikt en later gedicht. In de 2e sloot zijn aardewerkscherven gevonden die erop duiden dat de sloot na 1760 is gedempt. De locatie van die sloot komt ook heel goed overeen met de kaart van 1704. In twee proefsleuven is vooral gezocht naar het dwarspad tussen de formele tuin en de boomgaard, maar daarvan is niets gevonden. Mogelijk is de bodem op die plekken te veel geroerd. Een andere mogelijkheid is dat er toch net iets is gewijzigd in locatie. Van het gezochte brughoofd is mogelijk wat metselwerk gevonden, maar daar is nader onderzoek nodig. 

Bij de entreezijde van het huis is geofysisch onderzoek uitgevoerd. Al in 2011 was hier gedeeltelijk onderzoek naar gedaan, maar het leek zinvol om dat nogmaals uitvoeren. Uit het onderzoek blijkt dat dit deel te veel verstoord is, door de aanleg van kabels en leidingen. Toch is ook een deel van de oude opzet van de parkaanleg gevonden. Opvallend daarbij is dat hier ook een stuk van waarschijnlijk een (bak)stenen keermuur is gevonden, waarvan de locatie komt niet helemaal overeenkomt met de locatie op de kadastrale minuutkaart. Een proefsleuvenonderzoek moet nader uitsluitsel geven over de werkelijke archeologische structuren en de datering. Ook het verloop van de oeverlijn die uit geofysisch onderzoek schuin bleek te lopen zal worden onderzocht met een proefsleuvenonderzoek. 

Naar aanleiding van de resultaten van het uitgevoerde archeologisch onderzoek zijn kleine aanpassingen op het ontwerp gemaakt. Zo zijn de locaties van de bomenrij en paden goed gelokaliseerd en kunnen die worden overgenomen. De nieuwe plantgaten en afstanden tussen de planten wordt wel wat groter in de herstelde tuin dan in de 17e-eeuwse situatie. Daarmee krijgen de planten meer kans om beter te groeien. Ook de locaties van de sloten zullen opnieuw gebruikt worden in het nieuwe ontwerp. 

Historische tuinen in de toekomst; enkele handvaten

Tuinarcheologisch onderzoek komt steeds meer onder de aandacht, waardoor inzichten in methoden, technieken en onderzoeksvragen zich verder ontwikkelen. De multidisciplinaire aanpak van het onderzoek naar de tuin van huis Trompenburgh laat zien dat het archeologisch en historisch tuinonderzoek samen van grote informatieve waarde zijn. Door het benutten van het scala aan onderzoeksgegevens kan een zorgvuldige afweging worden gemaakt in het nieuwe ontwerp waarbij de historische elementen gerespecteerd worden. Jan van Doesburg sloot zijn presentatie af met een blik op de toekomst en praktische handvaten voor gemeenten en andere betrokkenen: 

  • Voorlichting: het belang van deze tuinen staat nog te weinig op het netvlies. Meer en betere voorlichting door gemeenten en provincies over de algemene waarden en belangen van historische tuinen voor eigenaren en belangenverenigingen, maar ook binnen de gemeenten is daarom een aandachtspunt. 
  • Goede advisering: benut goede advisering bij plannen over nieuwe inrichting van historische tuinen. Daarmee krijg je inzicht in wat wel en niet kan, en in wat de consequenties zijn bij ontwerpkeuzes. 
  • Beleidskaarten: zet historische tuinen en parken op archeologische beleidskaarten met passende beleidsregels. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet worden deze opgenomen in het omgevingsplan. De potentie en waarden van resten in de bodem worden daarmee vastgesteld en behouden. Gemeenten bepalen zelf tot welke diepte en oppervlaktegrenzen een plan vrijgesteld is van archeologisch onderzoek. Dat is mooi, want daarmee hebben zij het middel om kennis over historische tuinen te bewaren.  
  • Onderzoeksvragen: stel onderzoeksvragen op in de gemeentelijke (en provinciale) onderzoeksagenda. In de NOaA staan bruikbare vragen over onder andere designed landscapes. De te onderzoeken gelaagdheid van tuinen heeft iets te bieden: van de ontwikkelingen van de tuin als sier-, landschaps- of nutstuin, het gebruik van eetbare gewassen en het houden van dieren, tot aan de historische betekenis van uitwisselingsnetwerken van plantenstekjes in de elite. Onderzoeksvragen geven het onderzoek een richting. 
  • Richtlijnen: ontwikkel richtlijnen voor tuinarcheologisch onderzoek en stel kaders op als je onderzoek wilt laten doen.  
  • Beleefbaar maken: veel doelgroepen zijn geïnteresseerd in historische tuinen en kunnen een belangrijke rol spelen in het onderhoud en bij onderzoek. Probeer hen te interesseren en aan historische tuinen te verbinden, zodat de tuinen er net zo mooi uitzien als in het verleden.  

Ten slotte vraagt het behoud van historische tuinen om een integrale aanpak waarbij diverse personen betrokken zijn op het gebied van onderzoek en het ontwerp. Om de potentie van onderzoek naar tuinen te vergroten is een goede samenwerking nodig tussen tuinarcheologen en landschapsarcheologen (professionals en niet-professionals), tuinhistorici, tuin- en landschapsarchitecten, eigenaren van historische tuinen, groen erfgoedverzorgers en andere betrokkenen. Allen werken aan hetzelfde onderwerp; door een integrale aanpak wordt de potentie van het onderzoek vergroot. Het is belangrijk dat betrokkenen niet te veel op de eigen expertise blijven leunen. En trek de integrale aanpak door bij het kiezen voor een nieuwe inrichting van de tuin. Baseer je een ontwerp op een historische situatie, heb ook dan aandacht voor lagen die jonger of ouder zijn. Tuinen veranderen nu eenmaal door de tijd.  

(Tekst: Annika Blonk-van den Bercken. Beeldverantwoording: RCE, tenzij anders vermeld.)

Deel dit artikel

Categorieën

Tags

Gerelateerde berichten

  • Schrijf je nu in voor erfgoedmagazine ode

    Categorie: Archeologie, Cultuurlandschap, Duurzaamheid, Gebouwd erfgoed, Omgevingswet

    Schrijf je nu in voor de nieuwste editie van ode en ontvang ode digitaal en/of in je brievenbus.

  • Informatiebord Cassellum Flevum

    Inspiratiesessie archeologie en beleefbaarheid

    Categorie: Archeologie

    Een kasteel dat volledig onder de grond ligt, een opgraving die achter hekken plaatsvindt of bijzondere vondsten: de verhalen zijn vaak fascinerend, maar niet altijd makkelijk om met het publiek te delen. Hoe maak je archeologie zichtbaar en beleefbaar?