Erfgoedteam: Houtbouw

Van oudsher wordt in Nederland veel houtbouw toegepast in gebieden met een weinig draagkrachtige bodem zoals in de Zaanstreek en Waterland. Het gaat dan niet alleen om molens en (stolp)boerderijen, maar juist ook om pak- en woonhuizen. Een voordeel van houtskeletbouw is dat het gebruikmaakt van een duurzaam bouwmateriaal, mits goed onderhouden. Houten gevels en kozijnen hebben daardoor in realiteit een kortere omlooptijd dan de overige houtconstructie.

Gemeenten krijgen dan ook regelmatig aanvragen voor herstel en restauratie van houten panden die als monument zijn aangewezen. De beoordeling van dergelijke aanvragen vraagt om specifieke kennis en de mogelijkheid om het bouwproces na vergunning nauwgezet te kunnen volgen, die niet altijd aanwezig is bij de vergunningverleners en handhavers.

De praktijk wijst namelijk uit dat vaak  gekozen wordt voor het vervangen van volledige gevels of kozijnen, waardoor authentiek materiaal en vaak ook de kwaliteit van de oorspronkelijke detaillering verloren gaat. Ondanks dat bij monumenten herstel en restauratie gaat vóór vernieuwen.

Het Erfgoedteam wil de problematiek rondom houtbouw onderzoeken en ter discussie stellen door een aantal bijeenkomsten aan dit onderwerp te wijden. De aftrap was op een locatie in Assendelft die exemplarisch is, namelijk de onlangs herbouwde en gerestaureerde houten molen de Paauw met de erbij behorende houten molenschuur, beide gemeentelijk monument.

Voor de voormalige molenschuur, die in het verleden deels als woning en deels als opslag voor zaad en turf werd gebruikt, wordt een restauratieve aanpak toegepast. Er wordt alleen vervangen daar waar het nodig is en nieuwe toevoegingen zijn duidelijk afleesbaar. De werkzaamheden worden uitgevoerd door jonge timmerlieden in dienst van Bart Nieuwenhuijs, eigenaar van een restauratie bedrijf gespecialiseerd in Zaanse houtbouw. Wat de aanwezigen opviel is het enthousiasme van de vaak nog jonge timmerlieden die bij hem in opleiding zijn en op dit project praktijkervaring opdoen om het steeds schaarser wordende ambacht te kunnen blijven voortzetten.

Voor de afgebrande molen werd een ander traject ingezet. Hier is sprake van volledige herbouw, waarbij de romp van een andere molen is gebruikt en de oorspronkelijk functie van oliemolen  naar  hennep klopperij is gewijzigd. Er staat nu een nieuwe molen met een andere dan de oorspronkelijke functie, maar wel met hergebruik van oude onderdelen en vervanging door nieuwe materialen. De terechte vraag hierbij, die door de aanwezigen werd bediscussieerd, is of dit nog wel een monument kan zijn?

Interessant hierbij is dat de nieuwe functie andere cultuurhistorische waarden heeft opgeleverd: hennep als grondstof voor het weven van zeilen was een vergeten industrie in de Zaanstreek, die hier vroeger marktleider van was. Een dergelijk type molen bestond niet meer in de gemeente Zaanstad. Op deze manier is die geschiedenis weer onder de aandacht gebracht, met zelfs een publicatie als resultaat. Bijkomende voordelen zijn dat de herbouw zorgt voor meer draagvlak voor het behoud van de molenschuur én voor nieuwe vakkennis.

Tijdens de discussie met de aanwezigen kwam onder meer de rol van de gemeente in het vergunningstraject bij houtbouwrestauraties naar voren. Een ambtenaar moet kunnen inschatten of wat hersteld kan worden en wat vervangen dient te worden, voldoende in de vergunningsaanvraag is onderbouwd. Een bouwhistorisch rapport maakt de waarden inzichtelijk, maar een goede begeleiding vanuit de gemeente gaat nog een stap verder.

Vanuit zijn praktijkervaring wijst Nieuwenhuijs erop dat veel vergunningsverleners en handhavers als generalisten zijn opgeleid en daardoor minder inhoudelijke kennis en binding met het behoud van de (lokale) monumentale waarden hebben. Vergunningverleners kijken voornamelijk of de bouwtekeningen en details kloppen Een goed plan is geen garantie voor een goede uitvoering en uit een materiaalstaat is wel op te maken dát iets in hout wordt uitgevoerd, maar een tekening waarin wordt aangegeven wat er precies behouden, hersteld en/of vervangen wordt, maakt het eenvoudiger om te handhaven.

Maar er is ook een andere kant van de medaille: dat dit (te) veel vraagt van opdrachtgever, de architect en de aannemer bij de voorbereiding. Vaak is vooraf ook lastig om al bepaalde beslissingen te nemen en wordt tijdens het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden tegen onvoorziene problemen aangelopen. Het kan zijn dat achteraf blijkt dat bepaalde onderdelen volledig vervangen dienen te worden, of dat bepaalde onderdelen in betere conditie blijken te zijn dan in eerste instantie werd gedacht.

Vandaar dat inhoudelijke kennis en duidelijke afspraken tussen de gemeente en de aanvrager vooraf  van belang is evenals goede nazorg na verlening van de vergunning door de gemeente. Hierin zitten kansen voor de ambtenaren met name in het vergroten van kennis over restauratie en behoud van Zaanse houtbouw. Vakkennis is een belangrijk tegengeluid om te laten horen tegen aannemers die de ambtenaren nu proberen te overrulen in gesprekken over behoud en vervangen.

Een belangrijk bijkomend effect van goede begeleiding is dat de opdrachtgever, de architect en de aannemer worden meegenomen in de waardering van het monument. De partijen kunnen door de gemeente worden geënthousiasmeerd in het voortraject waarmee de liefde voor het monument vergroot kan worden.

Tot slot: de gemeente Zaanstad heeft als eerste gemeente mogelijk gemaakt dat gedemonteerde houten panden als monument beschermd kunnen worden, waarmee gestimuleerd wordt om de Zaanse houtbouw in stand te houden.

(Beeldverantwoording: Steunpunt Monumenten & Archeologie Noord-Holland)