Erfgoedteam: Bouwhistorie en Archeologie

Bouwhistorie en Archeologie. Het is duidelijk dat de disciplines elkaar kunnen aanvullen, maar in de praktijk gebeurt dat misschien minder vaak dan wenselijk is. In het online Erfgoedteam van 8 november 2023 stond de synergie tussen de twee disciplines centraal.

Er zijn veel raakvlakken tussen bouwhistorie en archeologie, het gaat immers voor een deel om dezelfde materie. Door een verschil in regelgeving over archeologie enerzijds en gebouwd erfgoed anderzijds komen de vakgebieden op een gescheiden manier en op verschillende momenten in de planvorming aan bod. Is dat erg? En zo ja, wat kan de gemeente doen om te stimuleren dat er wordt samengewerkt en wat levert het op?

Om het thema toe te lichten, zijn Maarten Enderman, bouwhistoricus in de gemeente Haarlem en Twan van Rooij, bouwhistoricus en archeoloog bij RAAP Archeologisch Adviesbureau aangeschoven. Zij vertellen vanuit hun eigen ervaring over deze materie.

Bouwhistorie in de gemeente Haarlem – Maarten Enderman

Over de spreker: Maarten Enderman is de bouwhistoricus van de gemeente Haarlem. Hij heeft in zijn werk zowel met bovengronds als ondergronds erfgoed te maken. Naast advisering doet hij ook bouwhistorische documentaties. Als bouwhistoricus in Den Bosch en via zijn bureau heeft hij regelmatig met archeologie te maken gehad. Maarten Enderman is bestuurslid bij de Stichting Bouwhistorie Nederland.

Maarten vertelt dat in Frankrijk en Engeland geen onderscheid bestaat tussen bouwhistorisch en archeologisch onderzoek. Het is eigenlijk een ‘vertaalfout’ bij de Nederlandse implementatie van het verdrag van Malta dat bouwhistorische documentatie niet gelijk is gesteld en meegenomen bij de bescherming van archeologische/cultuurhistorische waarden. Door deze scheiding van de disciplines heeft de bouwhistorie zich in Nederland vooral ontwikkeld richting advisering van monumentenzorg, en is ook het onderzoek vooral daarop gericht. Bouwhistorisch onderzoek kent net als archeologisch onderzoek verschillende fasen, met doelen als inventarisatie, waardering en documentatie.

Fasen van bouwhistorisch onderzoek

De eerste fase van bouwhistorisch onderzoek is meestal een bouwhistorische inventarisatie: gebouwen worden hierbij bekeken en geïnventariseerd. Dit kan voor een groot deel op basis van bureauonderzoek, of een bezoek waarbij de gebouwen aan de buitenkant worden bekeken. Aan de hand van de inventarisatie kan een bouwhistorische waarden- of verwachtingenkaart gemaakt worden. De Kadastrale minuutplans zijn bij de inventarisatie een belangrijke bron. Deze historische kaarten uit de negentiende eeuw geven vaak een indicatie van de aanwezigheid van veel oudere bebouwing. Ook kan een gebouw met een 19e-eeuws uiterlijk een middeleeuws houtskelet hebben.

De volgende fase van onderzoek is een bouwhistorische verkenning of opname: dit is een veldonderzoek dat vaak wordt ingezet voordat een pand wordt verbouwd of ontmanteld. Op basis van historisch onderzoek en een onderzoek aan de binnen- en buitenkant van het gebouw worden de bouwfasen en bijbehorende elementen in kaart gebracht, en wordt een waardering opgezet. Dit is vaak een hulpmiddel bij besluiten over verbouwingen en restauraties van panden.

Een bouwhistorische ontleding of documentatie is de meest uitgebreide vorm van bouwhistorisch onderzoek. Dit onderzoek vindt plaats tijdens een sloop of verbouwing, dus als latere afwerkingen verwijderd zijn en veel te zien is van oude elementen. Desondanks wordt dit weinig gedaan: het ontbreekt aan een wettelijke plicht om dit onderzoek uit te voeren en blijft daarom meestal achterwege.

De praktijk in Haarlem

Voor de gemeente Haarlem vormde een casus uit 2018 de aanleiding om in te grijpen en een bouwhistoricus aan te stellen. Kort voor de sloop van een gebouw dat geen monument was, bleek dat er nog hele oude elementen in het pand aanwezig waren. Om dit in de toekomst te voorkomen is een bouwhistorische waardenkaart in het bestemmingsplan opgenomen. Voor de kaart is een bouwhistorische inventarisatie uitgevoerd om te kijken welke gebouwen zonder monumentenstatus eventueel voor (andere manieren van) bescherming in aanmerking zouden kunnen komen. Voor deze gebouwen geldt nu de ‘waarde bouwhistorie’. Verbouwen is mogelijk, maar er moet nadrukkelijker rekening gehouden worden met de aanwezige bouwhistorische waarden en bij de vergunningaanvraag kan om een bouwhistorisch onderzoek worden gevraagd. Sloop wordt met hoge uitzondering toegestaan en in die gevallen moet het pand op archeologische wijze worden gedocumenteerd.

Inhoudelijke versterking

In de ervaring van Maarten vult bouwhistorisch onderzoek het archeologische verhaal aan, en vice versa. Archeologie helpt bij de bouwhistorische reconstructie: onder de oppervlakte komen gebouwelementen tevoorschijn die bij de bouwhistorische documentatie nog niet zichtbaar zijn. En elementen die nog wel zichtbaar waren, zijn na het archeologisch onderzoek beter te duiden, bijvoorbeeld bedstedekelders, de richting van een trap en andere kelders. Door de combinatie van bouwhistorie en archeologie kan het hele huis gereconstrueerd worden.

Bouwhistorie vult ook archeologie aan. Bouwhistorische en dendrochronologisch gedateerde gebouwelementen kunnen gebruikt worden bij de datering of fasering van archeologische resten. Ook de indeling van gebouwen is duidelijker door bouwhistorisch onderzoek. De bouwhistoricus kan door zijn manier van denken helpen plattegronden te analyseren en het gebouw reconstrueren. De bouwhistoricus herkent ook sneller bouwelementen in het archeologische vlak, zoals structuren, losse onderdelen die zijn hergebruikt in een fundering of voorkomen als afval.

Samenwerking verbeteren

De voordelen van samenwerking zijn dus helder. Maar waarom is samenwerking niet vanzelfsprekend? En wat zijn mogelijke oplossingen daarbij? Voor een deel zijn de problemen structureel: bouwhistorisch onderzoek is geen wettelijke plicht en is daarom niet automatisch geregeld. Een gemeente kan hier wel maatregelen voor nemen, zoals duidelijk is geworden door het Haarlemse voorbeeld (bescherming via het bestemmingsplan).

Ook zijn, in vergelijking met archeologische rapporten, bouwhistorische rapporten slecht toegankelijk. Ze bevinden zich vooral in slecht ontsloten bouwarchieven. Er is ook geen overzicht van onderzoeken en van de locaties waar verslagen te vinden zijn. Om dit te verhelpen loopt er nu een proef (pilot) om rapporten in Data Archiving and Networked Services (DANS) KNAW op te slaan, vergelijkbaar met archeologische rapporten. Deze centrale opslag en beschikbaarheid wordt, als de pilot goed verloopt, opgenomen in de nieuwe richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek.

Verder is het wenselijk om het niveau van onderzoek dat door archeologen wordt uitgevoerd naar gebouwresten, te verbeteren. Daar wordt al concreet invulling aan gegeven, omdat een KNA-leidraad (Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie) voor het opgraven en documenteren van muurwerk wordt geschreven. Deze wordt op het moment van schrijven samengesteld in samenwerking tussen stadsarcheologen en bouwhistorici.

Bouwhistorisch onderzoek kan zowel in de vorm van vooronderzoek als tijdens het veldwerk veel informatie opleveren die archeologische structuren kan helpen verklaren. Maarten pleit daarom voor bouwhistorisch onderzoek voorafgaand aan de sloop van een pand, voorafgaand aan een archeologisch onderzoek. Bovendien raadt hij aan om in Programma’s van Eisen (PvE) voor archeologisch onderzoek op te nemen dat funderingen of muurwerk worden onderzocht en beschreven door een bouwhistoricus.

Naar aanleiding van de presentatie kwamen nog enkele vragen:

Ten eerste over de richtlijnen (leidraad) die wordt opgesteld voor archeologen. Is er dan geen bouwhistoricus meer nodig?
Maarten geeft aan dat veel archeologen al veel ervaring hebben met muurwerk, maar niet allemaal. Voor die laatste groep zijn de richtlijnen wel heel nuttig. Maar vergelijkbaar met specialistisch archeologisch onderzoek naar bijvoorbeeld botmateriaal, heeft het bouwhistorisch onderzoek naar bouwhistorische resten meerwaarde.

Ook was er een vraag over de opstelling en implementatie van de bouwhistorische waarden- en verwachtingenkaart.
Maarten vertelt dat de kaart is gebaseerd op een inventarisatie, er is dus geen bouwhistorische opname geweest. Van de gebouwen die als ‘vermoedelijk bouwhistorisch waardevol’ op de kaart staan, wordt in het Bestemmingsplan het casco beschermd (aanduiding: waarde bouwhistorie). Dus muren, trappen, balken en kelders etc. mogen niet zonder onderzoek verdwijnen. In dit geval is de waarden- en verwachtingenkaart geïmplementeerd als een reparatieplan op het bestemmingsplan (samen met een aantal kleinere wijzigingen op de onderliggende bestemmingsplannen). Als andere mogelijkheid om historische panden te beschermen werd een paraplubestemmingsplan genoemd.

Archeologie en Bouwhistorie, een vruchtbare samenwerking – Twan van Rooij

Over de spreker: Twan van Rooij werkt als bouwhistoricus bij RAAP en heeft ook een achtergrond in de archeologie. Hij heeft veel stadkernonderzoek gedaan. De combinatie bouwhistorie en archeologie is voor hem heel vanzelfsprekend.

Bouwhistorie en archeologie zijn verwant aan elkaar, maar toch bestaan er grote verschillen. De scheiding tussen de twee disciplines is deels historisch gegroeid. Al vanaf de 19e eeuw liep de archeologie iets voor op de bouwhistorie in de ontwikkeling van de wetenschap, bijvoorbeeld door een hoogleraarspost archeologie in 1820, en in de wetgeving, door de verankering in Ruimtelijke Ordening. Waar de archeologie zich vooral richtte op onderzoek met een wetenschappelijk doel, stond in de bouwhistorie het onderzoek ten dienste van de monumentenzorg en restauratie, naast onder andere onderzoek naar materialen en constructies. In 1904 zag de voorlopige monumentenlijst het licht. Dit accentverschil, de archeologie ten dienste van de wetenschap en bouwhistorie ten dienste van monumentenzorg, blijft tot op de dag van vandaag bestaan.

De grootschalige schade als gevolg van Tweede Wereldoorlog heeft op beide disciplines veel invloed gehad. Er kwam veel aandacht voor het beschermen van monumentale gebouwen, en doordat de wederopbouw gepaard ging met veel grondwerk, werd men geconfronteerd met archeologie. Maar ook op ambtelijk niveau wijzigde na de Tweede Wereldoorlog veel. Het Rijksbureau voor de Monumentenzorg werd gereorganiseerd; de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) werd ingesteld en daar werd de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) vanaf gesplitst. Hierdoor werden ook de disciplines gescheiden. Bouwhistorie en monumentenzorg was vooral gericht op beschrijving, behoud en restauratie. Er kwamen monumentenlijsten en redengevende omschrijvingen voor monumenten. In de wet was minder goed geregeld dat ook bouwhistorisch onderzoek moet plaatsvinden. Archeologie was veel meer gericht op onderzoek.

Door de implementatie van het Verdrag van Malta in 2007 veranderde veel in de archeologie. Onderzoek en bescherming van archeologische waarden werd beter verankerd in de wet: de commerciële archeologie ontstond met het ‘de verstoorder betaalt’-principe en er kwamen onderzoeksagenda’s. In 2006 werden de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) gefuseerd tot de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM). Daarmee kwamen de archeologische tak en de monumentenzorg weer onder één dak. De naam ‘RACM’ wijzigde in 2009 in Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

Bouwhistorie en archeologie in verband

Hoe en waar archeologie en bouwhistorie elkaar raken, is vaak heel praktisch. Bouwhistorici en archeologen kijken op een eigen manier naar bouwresten, waardoor zij verschillen zien in dezelfde resten. Metselwerk biedt bouwhistorici allerlei aanwijzingen over bijvoorbeeld het onderscheid tussen typen funderingen of opgaand muurwerk (zichtwerk). Zij herkennen de aanwezigheid van schouwen waar voor het ongeoefende oog delen van muren of bakstenen lijken te ontbreken. Bij veel muurwerk, of in een complexe situatie met veel verschillende elementen, brengt een bouwhistoricus helderheid in een ogenschijnlijke wanorde. Archeologen reconstrueren het verleden aan de hand van grondsporen, ruimtelijke verspreiding en artefacten. Daarvoor is een ruimtelijk voorstellingsvermogen nodig. De bouwhistoricus kijkt naar wat aanwezig is in een pand. De blik van bouwhistoricus is daardoor anders dan het tweedimensionale beeld van een archeoloog.

Het is dus voor de kennisvorming heel belangrijk om muurwerk grondig te onderzoeken en documenteren. Bouwhistorisch onderzoek moet daarom goed verankerd worden in Programma’s van Eisen (PvE), zodat deze kennis geborgd wordt.

Reflectie en vooruitkijken

In de discussie kwam naar voren dat binnen de vertegenwoordigde gemeentes nog weinig geregeld is, of lijkt te zijn, voor een structurele verankering van bouwhistorisch onderzoek in beleid. De meeste kans om aan te sturen op bouwhistorisch onderzoek lijkt vooralsnog te liggen bij het vastleggen ervan in archeologische Programma’s van Eisen (PvE). Daarbij is natuurlijk wel het probleem dat panden met bouwhistorische waarden gesloopt worden voordat de fundamenten archeologisch worden onderzocht. Dit moet beter geregeld worden. In het PvE kan ook worden verwezen naar de (toekomstige) KNA Leidraad Bouwhistorie. Gemeentes kunnen die eis stellen. Gemeentes kunnen ook via een gemeentelijke onderzoeksagenda zorgen dat gerichte bouwhistorische onderzoeksvragen in PvE’s worden opgenomen.

Ook werd genoemd dat meer aandacht besteed moet worden aan bouwsporen tijdens archeologisch onderzoek, zeker bij het digitaal vastleggen van sporen. Maar het bouwhistorische onderzoek moet ook breder zijn dan dat. Samenwerking en uitwisseling tijdens het veldwerk is belangrijk. Daarbij is de kanttekening gemaakt dat je moet voorkomen dat het verslag van een bouwhistoricus als externe specialist als bijlage in het archeologisch rapport wordt opgenomen.

Maarten gaf nog een verdere toelichting op het centraal bewaren en toegankelijk maken van bouwhistorische rapporten in DANS. De pilot in samenwerking met de RCE en de bond van Nederlandse bouwhistorici is nog gaande. Gezocht wordt naar een goede manier voor de inpassing van bouwhistorische rapporten en gegevens: deze data is net anders dan archeologische data. Het is de bedoeling dat het komend jaar (in 2024) zover is dat de deponering in DANS in de nieuwe richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek staat en de bureaus kunnen deponeren. Daarop werd aangevuld dat het doel van onderzoek en de meerwaarde ervan, en publiek draagvlak en onder eigenaren duidelijker worden als je het archief ontsluit.

Ten slotte werd opgemerkt dat niet alleen aan de wetenschappelijke kant, maar ook in de planvorming, mooie kruisverbanden mogelijk zijn tussen archeologie en bouwhistorie, bijvoorbeeld door reconstructies.

(Tekst: Eliza van Rooijen & Annika Blonk-van den Bercken. Beeldverantwoording: Eliza van Rooijen)

Deel dit artikel

Categorieën

Tags

Gerelateerde berichten

  • Schrijf je nu in voor erfgoedmagazine ode

    Categorie: Archeologie, Cultuurlandschap, Duurzaamheid, Gebouwd erfgoed, Omgevingswet

    Schrijf je nu in voor de nieuwste editie van ode en ontvang ode digitaal en/of in je brievenbus.

  • Informatiebord Cassellum Flevum

    Inspiratiesessie archeologie en beleefbaarheid

    Categorie: Archeologie

    Een kasteel dat volledig onder de grond ligt, een opgraving die achter hekken plaatsvindt of bijzondere vondsten: de verhalen zijn vaak fascinerend, maar niet altijd makkelijk om met het publiek te delen. Hoe maak je archeologie zichtbaar en beleefbaar?