Verslag Erfgoedteam: Behoud waardevolle schoolgebouwen

Vanwege de veranderende behoeften wordt er tegenwoordig kritisch gekeken naar de bruikbaarheid van bestaande schoolgebouwen. Door een toename van het aantal leerlingen, door veranderende inzichten in de onderwijspraktijk, door verduurzamingsambities, of zeer recent door de coronacrisis en de noodzaak tot goede ventilatie in klaslokalen. Maar al te vaak wordt meteen naar de optie nieuwbouw gegrepen, met als gevolg dat een nog zeer bruikbaar gebouw gesloopt moet worden. In veel gevallen gaat het ook om gebouwen met architectonische en cultuurhistorische waarden, bijvoorbeeld uit de wederopbouw- en post-’65-periode.

Gemeenten spelen, vaak als eigenaar van schoolgebouwen, een belangrijke rol in dit proces. Om de Noord-Hollandse gemeenten te laten zien hoe zij op deze actuele ontwikkeling kunnen anticiperen, organiseerde het Steunpunt Cultureel Erfgoed Noord-Holland een korte digitale seminar voor ambtenaren erfgoed en stedenbouw, maar bijvoorbeeld ook onderwijs.

Nieuw leven voor naoorlogse scholen
Wilma Kempinga, kunsthistoricus en partner in onderzoeksbureau Mevrouw Meijer

Het onderzoeksbureau Mevrouw Meijer streeft behoud door verbetering van bestaande schoolarchitectuur na (zie filmpje). Wilma Kempinga neemt de deelnemers in haar presentatie mee in het proces dat zij als bureau doorlopen, om aan te tonen dat naoorlogse schoolgebouwen zich vaak nog heel goed lenen voor hergebruik als school.

Mevrouw Meijer hanteert bij haar onderzoek altijd hetzelfde proces, waarbij er eerst een uitgebreid bouwtechnisch onderzoek wordt uitgevoerd, om te onderzoeken wat de staat van het gebouw is, wat het kost het om een gebouw op een nul-niveau te brengen en wat de kosten voor sloop/nieuwbouw zouden zijn. Daarnaast stelt Mevrouw Meijer een Programma van Eisen en Wensen op vanuit bijvoorbeeld onderwijs, stedenbouw, cultuurhistorie, groen.

Vervolgens draagt zij een drietal architectenbureaus voor om een ontwerpend onderzoek uit te laten voeren. Dit zijn altijd architecten die nog niet eerder een school gebouwd of gerenoveerd hebben, omdat zij daardoor niet ontwerpen vanuit de voor schoolbouw vastgestelde kaders. Uit dit participatietraject volgen drie verschillende ontwerpen die uitgaan van vier thema’s:

  • de school als plaats van herinneringen;
  • de school als ‘Barbapapa’, dat uitgaat van permanentie én veranderlijkheid: een stabiel gebouw met de mogelijkheid voor veranderend gebruik;
  • de school en het schoolerf: de school als combinatie van gebouw en buitenruimte;
  • nieuw leven voor bestaande scholen.

De drie ontwerpen worden vervolgens doorgerekend en vergeleken met de nul-optie en sloop/nieuwbouw, zodat de opdrachtgever de verschillende mogelijkheden naast elkaar kan leggen en op basis daarvan keuzes kan maken.

Wilma Kempinga neemt de deelnemers vervolgens mee in haar motivatie voor behoud en transformatie van bestaande scholen, waarbij het streven is om deze motieven te laten samengaan en niet te laten conflicteren:

  • cultuurhistorie: kenmerkend voor een tijdperk en onderdeel van een gemeenschap;
  • functionaliteit: met name scholen uit de jaren ’60 zijn slim ontworpen en daardoor flexibel en onverminderd bruikbaar. Het is ook mogelijk om daarbij nieuwe buurtfuncties aan het schoolgebouw toe te voegen, zoals een bibliotheek;
  • duurzaamheid: duurzaamheid wordt met name benaderd vanuit isolatiewaarden, maar daarbij wordt er voorbij gegaan aan de energie die het kost om te slopen en nieuwe bouwmaterialen te gebruiken. Door duurzaamheid te bereken vanuit de ‘ladder van Lansink’ blijkt dat slooppreventie en hergebruik vrijwel altijd duurzamer en dus voordeliger zijn;
  • geld: transformatie biedt meer waar voor je geld. Alleen al het oppervlak van de lokalen zijn met de nieuwbouwbudgetten in 2020 niet meer denkbaar.

Aan de hand van twee voorbeelden laat Wilma vervolgens zien hoe haar bureau scholen heeft weten te transformeren. Zij adviseert verbouw te behandelen als nieuwbouw en daarom dezelfde partijen te betrekken bij het herontwerp (afdelingen als stedenbouw en onderwijs binnen de gemeente, maar ook de buurtbewoners). Ook benadrukt zij om het integraal huisvestingsplan van de gemeente goed door te nemen, om te zien wat de sloopplannen voor de komende jaren zijn, te bepalen welke scholen in aanmerking komen om tegen sloop beschermd te worden en daarover op tijd met je collega’s bij Onderwijs over in gesprek te gaan.

De Zaanse methode
Esther Laarman, projectleider afdeling onderwijshuisvesting gemeente Zaanstad

Begin dit jaar heeft de afdeling Onderwijshuisvesting van de gemeente besloten om bij iedere verbouwings- of sloopaanvraag voor schoolgebouwen een redengevende omschrijving op te laten stellen. Esther Laarman licht toe waarom juist haar afdeling hiervoor gekozen heeft en wat dit tot nu toe heeft opgeleverd.

De gemeente Zaanstad is ontstaan door samenvoeging van oude dorpskernen en heeft daardoor een groot gebouwenbestand, met relatief oude gebouwen met een achterstand in onderwijshuisvesting. (NB schoolgebouwen zijn geen gemeentelijk eigendom. Wettelijk is geregeld dat gemeenten financiële zorgplicht voor voldoende capaciteit hebben, schoolbesturen zijn juridisch eigenaar van de gebouwen). Daarom is in 2011 in Zaanstad het Integraal Huisvestingsplan Primair Onderwijs (IHP) vastgesteld met de insteek zo snel mogelijk het gebouwenbestand op het bouwbesluitniveau krijgen. Vervolgens werd duidelijk dat de omgeving en belanghebbenden onvoldoende in dit proces betrokken werden (ouders, leerkrachten, omwonenden, collega’s bij de afdeling Stedenbouw, groenvoorziening en erfgoed), waardoor het uiteindelijk bij de omgevingsvergunning – te laat in het proces – vastliep.

In 2015 is daarom in samenwerking met de schoolbesturen een werkinstructie opgesteld, met participatie als de belangrijkste rode draad. Voordat gestart wordt met een plan, worden experts en vakspecialisten betrokken bij het opstellen van kaders en voorwaarden, waarbij omwonenden als vakadviseurs van de buurt worden gezien. Op basis van die uitgangspunten kan de architect vervolgens een eerste massastudie uitvoeren. Gaandeweg bleek het efficiënter om aan die werkinstructie een aantal verplichte onderzoeken toe te voegen, voor bijvoorbeeld flora en fauna, stikstofberekening en bodemonderzoek.

Recent is ook het onderzoek naar cultuurhistorische waarden aan deze standaard uit te voeren onderzoeken toegevoegd. Aanleiding hiervoor was het project voor basisschool In ’t Veld, die in het begin van de jaren ‘30 is gebouwd. Team Erfgoed had al een vooronderzoek uitgevoerd, waaruit bleek dat het pand geen officiële monumentstatus zou krijgen en er waren in eerste instantie ook geen bezwaren tegen sloop. Esther Laarman vond het pand echter bijzonder genoeg voor Zaanstad om in de eerste fase ook een globale doorrekening laten maken voor renovatie met behoud van gevels. Het gehele pand behouden voor de school bleek onmogelijk vanwege de benodigde groei van de school en omdat de gemeente binnen de opdrachtkaders (zoals wettelijke zorgplicht, bouwbesluit, IHP) moet blijven.

Naar aanleiding van de communicatie met omwonenden en belanghebbenden over de sloop en nieuwbouwplannen voor basisschool In ’t Veld werden er vervolgens aanvullende vragen gesteld door een stadshistoricus over de cultuurhistorische waarde van het pand. Dit was een belanghebbende die nog niet eerder in beeld was, maar de vragen waren uiteindelijk wel de aanleiding om het pand alsnog te laten onderzoeken op cultuurhistorische waarde. Het pand bleek inderdaad niet monumentwaardig, maar kon wel als waardevol bestempeld worden. Voor Esther Laarman was dit aanleiding om het project te heroverwegen. De verschillende scenario’s worden op dit moment in beeld gebracht met voor-, nadelen en (on)mogelijkheden en zullen vervolgens samen met een advies voor besluitvorming worden voorgelegd aan de raad.

Esther Laarman licht toe waarom het cultuurhistorisch onderzoek nu standaard wordt meegenomen:

“Wil je iedereen inspraak geven, dan moet je zoveel mogelijk vooraf uitzoeken. Omdat in de oude dorpskernen binnen de gemeente Zaanstad veel oude schoolgebouwen staan, die vaak ook nog in oude staat verkeren, zal dit vraagstuk naar verwachting bij veel meer van onze schoolgebouwen bestaan. Op dit moment lopen er al twee onderzoeken naar een schoolgebouw uit de jaren ‘30 en een uit de jaren ’50, die waarschijnlijk ook waardevol zullen zijn. Het behoud is helaas niet zo simpel als het lijkt en is een constante afweging van belangen en ambities. Hieraan liggen voornamelijk ook wettelijke verplichtingen en voorschriften ten grondslag. Daarnaast hebben we als gemeente te maken met een uit maatschappelijke middelen beschikbaar gesteld budget.”

In gesprek

Aansluitend op de presentaties gaan de deelnemers en de sprekers met elkaar in gesprek. Hieronder zijn de opvallendste onderdelen van deze gesprekken samengevat:

Eén van de deelnemers geeft aan dat binnen haar gemeente een nieuw huisvestingsplan is opgesteld en dat er nu een inventarisatie naar de erfgoedwaarden wordt gestart. De vraag is hoe de gemeente bij deze inventarisatie van het gehele scholenbestand de gebouwen het beste kan waarderen. Erfgoed kijkt vooral naar de architectuurhistorische waarden, maar waar moet je nog meer op letten? Zijn er bijvoorbeeld bepaalde typologieën die van waarde zijn?

Wilma Kempinga: “Verdiep je onder andere in de ontwerper van het schoolgebouw. In de wederopbouwperiode waren het vaak de stadsarchitecten die de scholen ontwierpen. Die ontwerpen zijn van hoog niveau, omdat stadarchitecten zich internationaal oriënteerden en die bevindingen in hun eigen ontwerpen verwerkten. De schoonheid zit dan ook in de ideeën achter het ontwerp, ook over onderwijs. Daarnaast is het van belang om aan de hand van archiefmateriaal te onderzoeken wat er nog van het oorspronkelijke ontwerp behouden is. Vaak is een gebouw in de loop der tijd veranderd, door aanbouwen en noodlokalen, maar is het oorspronkelijke ontwerp achter die lagen nog aanwezig.”

Een andere deelnemer wijst op de bijzondere constructie dat schoolbesturen juridisch eigenaar zijn, maar de Wet Primair Onderwijs ervoor zorgt dat de gemeente economisch claimrecht heeft en de gemeente daarom ook betaalt voor de gebouwen. Om die reden is samenwerking met de schoolbesturen essentieel.

Ook wordt door een deelnemer gewezen op de lange looptijd van de gemeentelijke IHP’s en dat daarbij al rekening gehouden kan worden met tijdelijke schoolhuisvesting van scholen die gerenoveerd moeten worden. Daarbij kunnen leegstaande schoolgebouwen binnen de gemeente dienst doen als reserveschool, om in die behoefte aan tijdelijke schoolhuisvesting te kunnen voorzien.

Daarnaast komt ter sprake dat er gemeenteprogramma’s zijn waarbij er geld beschikbaar wordt gesteld voor het verduurzamen van oude scholen. Daarbij is altijd aandacht voor cultuurhistorie, maar in sommige gevallen blijkt dit juist nadelig voor het behoud van het gebouw als school, omdat die ingrepen afbreuk doen aan de architectonische waarden (bijvoorbeeld dubbelglas, zonnepanelen in het zicht, etc.). Dat leidt ertoe dat er keuzes gemaakt moeten worden: welke waarden wil je precies behouden en waar biedt je meer ruimte voor het behoud van de functie als schoolgebouw.

Een aantal deelnemers is door de presentatie van Wilma Kempinga tot het inzicht gekomen dat in wijken waar sprake is van krimp, er naast de schoolfunctie ook andere (wijk)functies in het gebouw kunnen worden toegevoegd, waardoor het gebouw alsnog behouden kan worden.

(Beeldverantwoording: Els Zweerink – banner)

Deel dit artikel

Categorieën

Tags

Gerelateerde berichten

  • Beknopt verslag Erfgoedteam: Erfgoed op de kaart

    Categorie: Gebouwd erfgoed

    Op woensdag 15 mei 2024 organiseerde het Steunpunt Cultureel Erfgoed Noord-Holland een online-Erfgoedteam over erfgoed in digitale kaartsystemen. In dit artikel delen we onze observaties, tips & tricks en goede voorbeelden uit de praktijk.

  • In beeld: Steunpunt Erfgoedteam: Op en rondom de hei

    Categorie: Gebouwd erfgoed

    Tijd voor onze favoriete excursie van ’t jaar: de lente-excursie van het Steunpunt! Dit keer bezoeken we moois op en rondom de hei tussen Hilversum en Laren. We spreken met elkaar af bij Station Hilversum, waar we ons niet uit het veld laten slaan door een klein lente-buitje.