Verslag Erfgoedteam: Behoud in situ van ondergronds erfgoed

Op 16 november 2021 vond het Erfgoedteam over ‘behoud in situ van ondergronds erfgoed’ plaats. In het Erfgoedteam worden complexe vraagstukken en actuele thema’s besproken met gemeenteambtenaren. Tijdens een bijeenkomst van het Erfgoedteam kunnen diverse betrokken partijen aanschuiven, zoals experts en vertegenwoordigers van diverse overheden. Een erfgoedteam is bedoeld als kleinschalig en verdiepend overleg.

Het onderwerp ‘Behoud in situ van ondergronds erfgoed’ is heel actueel door discussie binnen het archeologisch werkveld over de waarde en werkzaamheid van behoudsmaatregelen én bij gemeenten voor wie behoud in situ in feite het uitgangspunt is van hun beleid, maar die daar in de praktijk lastig mee uit de voeten kunnen. Behoud in situ is het behouden van vindplaatsen in hun ruimtelijke en natuurlijke context en het voorkomen van informatieverlies, zodat ze eventueel later opgegraven of non-destructief onderzocht kunnen worden. Zo blijven ze een bron van kennis over het verleden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen komt deze bescherming onder druk te staan.

Voor de bijeenkomst hadden 22 personen zich aangemeld. Twintig personen waren aanwezig. De bijeenkomst heeft vanwege de coronamaatregelen online plaatsgevonden. Dagvoorzitter was Annika Blonk- van den Bercken.

Linda Verniers heeft in 2020 en 2021 namens het Steunpunt een kennisdocument geschreven over het onderwerp ‘behoud in situ van archeologische vindplaatsen’. Zij presenteerde eerst een overzicht van de ideeën, mogelijkheden en moeilijkheden die samenhangen met behoud in situ. Channa Cohen Stuart (gemeentelijk archeoloog in Wijk bij Duurstede en Hoeksche Waard) vertelde over haar ervaringen in de praktijk. Daarna volgde een discussie met de aanwezigen.

Linda Verniers: Behoud in situ

De belangrijkste conclusies die Linda met ons deelde uit het onderzoek naar behoud in situ zijn dat het heel complex is om vindplaatsen op een goede manier in de bodem te bewaren en dat elke situatie om maatwerk vraagt. De oorzaak daarvan is dat er zoveel aspecten zijn waar rekening mee gehouden moet worden.

Het algemeen geldende idee is dat een onverstoorde bodem de beste conservator is van archeologische resten. In de praktijk wordt behoud in situ vooral een kwestie als het behoud van archeologische resten bedreigd wordt en het archeologische belang afgewogen moet worden tegen andere belangen. In stedelijk gebied is dat meestal vanwege ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw. In het buitengebied gebeurt dit vaak geleidelijker en vaak zonder duidelijk aanwijsbare verstoorder, bijvoorbeeld door degradatie en erosie, klimatologische veranderingen of natuurontwikkeling. Ook agrarisch landgebruik is hier echter van invloed op de conditie van de archeologische resten in de ondergrond.

Menselijke handelingen en natuurlijke verschijnselen die invloed hebben op de conserverende werking van de bodem zijn onder andere zetting, doorboring door heipalen of damwanden, ontgraving, veranderingen in de grondwaterstand, bodemdaling, erosie, egalisatie of bioturbatie zoals doorworteling en dierwerking. Ook vindt informatieverlies plaats doordat vindplaatsen ontoegankelijk worden voor onderzoek of doordat maar een deel van een vindplaats onderzocht kan worden. Behoud in situ gaat over het tegengaan en beperken van deze invloeden.

De vraag is hoeveel verstoring of informatieverlies we toelaatbaar vinden. Dat kan verschillen en hangt af van de situatie, de context en de waarde van de aanwezige archeologische resten. Dit maakt het lastig om richtlijnen te ontwikkelen. Daar komt bij dat vaak besloten wordt over het behouden van een vindplaats in situ wanneer nog niet bekend is óf sprake is van een vindplaats omdat nog geen archeologisch onderzoek is uitgevoerd: de vraag is welke ingrepen gedaan kunnen worden zonder dat archeologie in het geding komt, of zodat zo weinig mogelijk onderzoek gedaan hoeft te worden. Deze vragen zijn overigens meestal meer ingegeven door de wens om een (misschien dure) opgraving te voorkomen, dan om de archeologie te behouden.

Met zoveel verschillende aspecten en belangen is het telkens weer zoeken naar een oplossing met een goede uitkomst voor zowel de aanwezige archeologische resten als de ruimtelijke ontwikkelingen.

Linda pleit voor:

  • Het doen van waarderend onderzoek voorafgaand aan besluiten over behoud in situ zodat duidelijk wordt of en binnen welke contouren een vindplaats aanwezig is. Op die manier wordt duidelijk of behoud in situ haalbaar is, en met welke variabelen rekening gehouden moet worden als de vindplaats in de bodem behouden wordt.
  • Een centrale registratie waar vindplaatsen in situ behouden worden, bijvoorbeeld in ARCHIS of als gemeentelijk archeologisch monument.
  • Het opstellen van gemeentelijk beleid over dit onderwerp, met bijvoorbeeld selectie op basis van een archeologische onderzoeksagenda.
  • Het regelen van nazorg en eigenaarschap voor de behouden vindplaats. Vastgelegd moet worden wie zorgdraagt op de lange termijn. Ook de monitoring van de vindplaats maakt daar onderdeel van uit.
Channa Cohen Stuart: Behoud in Situ? Doe het niet!

Channa Cohen Stuart werkt voor de gemeenten Hoeksche Waard en Wijk bij Duurstede als gemeente-archeoloog en heeft ervaring met in situ behouden vindplaatsen in de gemeentelijke praktijk. De gemeentes waar zij voor werkzaam is, verschillen in omvang en in aard van het bodemarchief. Haar prikkelende stelling over behoud in situ is: “Doe het niet!”

Zij lichtte toe dat het gaat om situaties waarin al een vergevorderd (bouw)plan is, en archeologievriendelijk bouwen wordt gezien als goedkoop alternatief voor verder onderzoek. Het idee is in dat geval dat een ontwikkelaar van ‘het probleem’ archeologie af is, terwijl hij tot in lengte van dagen verantwoordelijk blijft voor het stabiel houden van de vindplaats. Bovendien is ook bij archeologievriendelijk bouwen vooronderzoek nodig: je hebt immers gegevens nodig over de aard en kwaliteit van de vindplaats om te bepalen welke maatregelen nodig zijn om die te behouden. En welke consequenties heeft planaanpassing voor de toekomst, ook in juridische zin? Op het moment dat het idee om een vindplaats in situ te behouden naar voren komt, zijn er al allerlei afspraken en contracten van kracht waar de archeoloog geen inzicht in heeft maar die wel vergaande gevolgen kunnen hebben voor de archeologie. Het kan gebeuren dat de bodem ongelijke zetting vertoont door de aanwezigheid van oude, historische fundamenten en dat daardoor de gebouwen scheuren. Wie is dan verantwoordelijk voor de oplossing? Of omgekeerd; als uit de monitoring blijkt dat de vindplaats toch achteruitgaat onder de gebouwen, worden die dan gesloopt om alsnog een opgraving uit te voeren? En dan zijn er nog besluiten waar je geen invloed op hebt. Het waterschap kan bijvoorbeeld vanwege een hoge waterstand het peil moeten aanpassen. De gevolgen voor in situ behouden vindplaatsen zijn moeilijk te overzien.

De kans op succes is groter als je al in een vroeg stadium betrokken bent bij de planontwikkeling en tijdig archeologisch vooronderzoek doet en rekening houdt met archeologie, met de consequenties voor vindplaatsen. Zo kun je echt planologisch rekening houden met de vindplaats(en), bijvoorbeeld door een park te plannen in plaats van bebouwing, en een zorgplicht regelen. Maar zelfs dan worden afspraken met de ontwikkelaar niet altijd nagekomen, of doorgezet naar de onderaannemer of onder-onderaannemer.

In Wijk bij Duurstede is de dichtheid aan belangrijke vindplaatsen ontzettend hoog, er zijn veel rijksmonumenten en AMK-terreinen. Er zijn ook ruimtelijke ontwikkelingen en dat maakt dat er keuzes gemaakt moeten worden. Aan de hand van de onderzoeksagenda wordt gekeken wat beschermd, of opgegraven moet worden. Besloten is dat ook vindplaatsen verloren mogen gaan. Daarbij spelen financiële belangen natuurlijk een rol. Het is, in overleg met de RCE, ook de bedoeling dat wordt gekeken (met een pilotproject) naar wat de ontwikkelingen doen met een vindplaats. Channa stipte aan dat de resultaten van archeologisch onderzoek slecht bij het publiek terechtkomen. Ook hier ligt dus nog een opgave.

Technische, praktische en beleidsmatige aandachts- en discussiepunten

Het onderwerp en de lezingen waren aanleiding tot een levendige discussie. In de discussie zijn verschillende aandachts- en discussiepunten genoemd, waaronder technische en praktische aandachtpunten en verschillende inzichten. De aanwezigen stonden wel achter het beleid van in situ behouden vindplaatsen voor verder onderzoek, maar het maken van de selectie van vindplaatsen die daarvoor in aanmerking komen, of het kiezen van de aanpak om behoud in situ mogelijk te maken, verschilt sterk. Aan deze besluitvorming gaat een afweging vooraf waarbij de praktische en technische aandachtspunten ook moeten passeren. Voor een soepele werkwijze en een duurzamer en gericht behoud in situ werden ook oplossingen aangedragen.

Een aandachtspunt van technische aard is dat een eenmaal overbouwde vindplaats lange tijd onbereikbaar is. Daardoor kan zowel de fysieke gesteldheid van de vindplaats niet gemeten of geborgd worden, bovendien komt de vindplaats mogelijk onder druk te staan door de ongelijke zetting en veranderde grondwaterspiegel.

De genoemde meer praktische aandachtspunten lopen uiteen. Problematisch is het doorgaans late moment waarop archeologie in bouwplannen wordt betrokken, waardoor in situ behoud niet eens meer kan worden overwogen. Ook werd genoemd dat het lastig is in het veld gedurende de bouw met verschillende uitvoerende partijen afspraken te maken en hier ook controle op uit te voeren. Maar ook daarna is het lastig in situ behouden vindplaatsen te peilen en te monitoren, als niet duidelijk is wie hiervoor verantwoordelijk gehouden kan worden, de ontwikkelaar, de gemeente of de grondeigenaar. Ook beleidsmatig zijn praktische problemen aan te geven, namelijk dat beheer- en behoudsmaatregelen lastig kunnen worden vormgegeven bij vindplaatsen die nog weinig onderzocht zijn, de beheersmaatregelen moeten worden afgestemd of de vindplaatsen. Bovendien moeten ook binnen de gemeente de beheersmaatregelen geborgd kunnen worden. Hier ontbreekt het ook vaak aan kennis en overdracht.

Ten slotte werd duidelijk dat onder de deelnemers verschillende inzichten zijn over de wijze waarop vindplaatsen die potentieel in situ kunnen worden behouden, moeten worden onderzocht om tot afgewogen besluitvorming te kunnen komen. Ook het actuele vraagstuk ‘archeologievriendelijk bouwen’ werd besproken, waarbij de vraag werd gesteld of archeologievriendelijk bouwen wel behoud in situ is.

Naast de bovenstaande aandachtpunten werden ook oplossingen aangedragen. Vastgesteld is dat per locatie een plan op maat zou moeten worden gemaakt. Daarbij helpt het om vindplaatsen in verschillende klassen in te delen, waarbij de inhoudelijke waarde (kenniswinst) alsook de kwetsbaarheid van de vindplaats tellen. Tevens wordt het opstellen van een onderzoeksagenda genoemd, wat een taak van de gemeente is. Van invloed is ook de diepte van de vindplaats in de bodem.

Een andere oplossing is het toekennen van zorgplicht en het stellen van eisen aan duurzaamheid van de inrichting van de locatie, die belangrijk zijn voor het behoud van de vindplaats. Relevant daarbij zijn de mogelijkheden tot andere invulling van de locatie, bijvoorbeeld door middel van een park.

De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed wordt genoemd als partner om te zorgen voor richtlijnen op dit gebied en voor kennisvermeerdering op landelijk niveau, en een platform waar ideeën kunnen worden gedeeld.

De aanwezigen zijn het eens dat archeologen een belangrijke rol in deze discussie hebben. In alle gevallen blijft het advies om archeologie zo vroeg mogelijk in het proces te betrekken.

(Beeldverantwoording: Linda Verniers)