Ruwe diamant in het Haarlemmermeerse Bos

Hydrapier is het paviljoen dat architectenbureau Asymptote ontwierp voor de Floriade van 2002 in het Haarlemmermeerse Bos. Het iconische gebouw is aangewezen als gemeentelijk monument en is hiermee één van de jongste monumenten van Nederland. Wij vroegen aan wethouder cultuur en erfgoed Marja Ruigrok en erfgoedspecialist Jertske Pasman waarom het paviljoen zo’n aanwinst is voor de gemeentelijke monumentenlijst.

Vol symboliek geschiedenis Haarlemmermeer

Het ontwerp van het New Yorkse architectenbureau Asymptote zit vol symboliek over de geschiedenis van de Haarlemmermeer. De locatie op zichzelf is al symbolisch voor de ontstaansgeschiedenis van de gemeente. Het paviljoen staat op een betonnen plateau aan de rand van een meer dat speciaal voor de Floriade werd heringericht. De verdiepingsvloer in het paviljoen geeft het NAP aan. De relatie tot het water verwijst naar de drooglegging van het Haarlemmermeer in 1852. Oorspronkelijk stroomde water over de vleugelvormige daken, waardoor twee watervallen de ingang markeerden. Hiermee was de historische betekenis van water nog sterker in het ontwerp vertegenwoordigd.

De betekenis van de luchtvaart voor gemeente Haarlemmermeer is eveneens in het ontwerp verwerkt. De vleugelvormige daken spreken voor zich, maar ook de gebogen aluminium gevelpanelen verwijzen naar de vliegtuigbouw en reflecteren bovendien het luchtruim.

Paviljoen architectonisch bijzonder

Naast de symboliek is het paviljoen in architectonisch opzicht bijzonder. Asymptote maakte tot 2002 veel installaties, kunstwerken en virtual reality. Het paviljoen werd als eerste ontwerp tot uitvoering gebracht en markeert hiermee het begin van een oeuvre dat zich in dezelfde lijn ontwikkeld heeft. De ontwerpen van Asymptote zijn namelijk, evenals het paviljoen, te herkennen aan hun vrije en dynamische vormen, aan de sterke relatie tot de (geschiedenis van) de locatie en aan de reflecterende of met patronen gedecoreerde gevelbekleding. Het hoofdkantoor van ING in Gent is hier een goed voorbeeld van.

Het paviljoen past hiermee helemaal in de tijdgeest van het begin van de 21e eeuw. Nieuwe digitale ontwerptechnieken maakten het mogelijk om gebouwen in de meest uitzonderlijke en ‘vrije’ vormen te realiseren. Het paviljoen is echt een kind van zijn tijd. Reden genoeg dus om het aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Marja Ruigrok is trots op de aanwinst voor de monumentenlijst: “We zijn een jonge gemeente en dit jonge monument past daar helemaal bij. Monumenten hoeven niet per definitie oud te zijn, door gebouwen uit alle fasen van de geschiedenis te bewaren, kun je het hele verhaal vertellen.”

Omarmen en beleven

Extra blij is de wethouder met de verkoop van het paviljoen, dat binnenkort weer als horecagelegenheid in gebruik genomen wordt: “Monumenten beschermen is één ding, maar belangrijker nog is dat ze gebruikt worden. Onze erfgoednota heet niet voor niks ‘Omarmen en beleven’, we moeten onze monumenten vooral toegankelijk maken.” Door monumenten toegankelijk te maken en in gebruik te houden worden ze beheerd en onderhouden, een voorwaarde voor het voortbestaan.

Draagvlak

Niet iedereen was enthousiast over de aanwijzing van het paviljoen als gemeentelijk monument. “Er zijn mensen die de schoonheid van het gebouw niet zien, zij zagen vooral een oud en onooglijk ding. Dan is het prettig om een beroep te kunnen doen op de erfgoedcommissie, want zij kijken met een professionele blik naar de materie. Natuurlijk hebben we bij de aanwijzing extra aandacht besteed aan voorlichting, met de aanwijzing van zo’n jong object moet je alles toch een beetje meer uitleggen en toelichten”, aldus Marja Ruigrok. “Deze werkwijze van de gemeente heeft zijn vruchten afgeworpen, want uiteindelijk zijn er geen bezwaren tegen de aanwijzing ingediend.”

“Ik snap wel dat het wat lastiger is om draagvlak te creëren voor jonge monumenten”, vertelt Jertske Pasman, “Post 65 erfgoed is nou eenmaal wat ruwer en bruter dan de oude en ‘klassieke’ monumenten. De schoonheid schuilt in andere dingen dan ouderdom of sierlijke decoratieve elementen. De waarde heeft te maken met de tijdsgeest. Aan de gebouwen uit deze periode kunnen we aflezen hoe men dacht over zaken zoals bouwen, recreëren, werken en wonen.” Toch is het goed dat gemeenten een langetermijnvisie hebben en ook de minder voor de hand liggende objecten weten te beschermen tegen sloop en verval. Het is in het publieke belang dat iconische gebouwen, zoals het paviljoen, bewaard blijven voor de volgende generatie.

Strategisch aanwijzen erfgoed

Of er nog meer ‘jonge monumenten’ aangewezen zullen worden, is nog niet bekend. “Natuurlijk hebben we de Calatrava bruggen, vertelt Jertske, maar deze zullen zo gauw niet gesloopt worden en dan is een aanwijzing tot monument minder urgent.” Marja Ruigrok hecht veel waarde aan het strategisch aanwijzen van erfgoed: “Onlangs is de geschiedenis van de Ringvaart door onderzoeksbureau SteenhuisMeurs opgedeeld in verhaallijnen. Uit elke verhaallijn is vervolgens één gebouw aangewezen als monument. Aan de hand van de monumenten langs de Ringvaart kun je de hele geschiedenis aflezen. Dat vind ik een mooie manier van omgaan met erfgoed en de lokale geschiedenis.”

Jong erfgoed onze trots

Momenteel worden de Post 65 wijken onderzocht door een lokale historische onderzoeksgroep. Marja Ruigrok: “Ik vind het belangrijk dat dit soort initiatieven vanuit de bewoners zelf komen. Hierdoor weten we wat de bewoners belangrijk vinden in hun omgeving. Wellicht dat dit weer een vervolg krijgt in de vorm van gemeentelijk beleid, uiteindelijk is het jonge erfgoed wel een beetje onze trots.”

(Tekst: Marrit van Zandbergen. Beeldverantwoording: Wim Meijer Fotografie)