Interview Steven Slabbers (PARK Noord-Holland)

Per januari 2019 is Steven Slabbers in functie als onafhankelijk adviseur ruimtelijke kwaliteit van de provincie Noord-Holland. Nu hij een aantal maanden aan het werk is leek het ons een goed idee om te horen wat voor agenda hij heeft.

Kun je ons een beeld schetsen van je achtergrond, studie en loopbaan?

Ik ben afgestudeerd als tuin- en landschapsarchitect in Wageningen met als specialisatie regionale planning. Na negen jaar bij Staatsbosbeheer, wat een goede leerschool was voor regionale planning, ben ik samen met mijn compagnon Jan Willem Bosch een eigen bureau begonnen; Bosch Slabbers. Zoals veel landschapsarchitecten heb ik me in de loop der jaren steeds meer ontwikkeld richting landschap en stedenbouw. Met ons bureau doen we veel grote infrastructurele werken, water- en klimaatgerelateerde opgaven en feitelijke inrichtingsplannen. Ik introduceer mijzelf vaak als ‘vertegenwoordiger in landschap’. In die rol denk ik na over het landschap van morgen en teken ik voor het landschap van morgen letterlijk en figuurlijk, maar altijd vanuit de achtergrond dat het landschap zijn verhaal moet kunnen vertellen.

Wat is je band met Noord-Holland?

Ik ben weliswaar een geboren Hagenees, maar ik heb best een bijzondere band met Noord-Holland. Ik ben de enige van mijn gezin die niet in Haarlem is geboren. De familie van moederskant was de uitbater van Brinkmann aan de Grote Markt en mijn oom was de eigenwijze man achter drogisterij Van der Pigge, die werd ingebouwd door de voormalige V&D; de Haarlemse versie van het boek Publieke werken. Ik ben dan wel in Den Haag geboren, maar ik ben een jongen van de polder, van de weidse vergezichten en het water dat zo hoog in de sloten staat dat het naadloos overgaat in de aanliggende graslanden. Daarmee kom ik in Noord-Holland wel aan mijn trekken. Daarnaast vind ik Noord-Holland een buitengewoon mooie provincie vanwege de contrasten tussen hoog-dynamiek en laag-dynamiek en het historische verleden en de moderne tijd. Daartussen gaat het vaak schuren en dat levert de meest interessante situaties op.

Als PARK probeer je een bijdrage te leven aan het behoud én de ontwikkeling van het Noord-Hollandse landschap. Taalkundig en beleidsmatig zijn er verschillende definities voor het begrip landschap. Welke definitie van landschap hanteer jij in je dagelijkse werk?

Wat mij betreft is de grachtengordel het bekendste landschap van Noord-Holland. Landschap is geschapen land, en dan maakt het geen verschil of het stad of land is. En daar hoort ook het immateriële bij en daarom leg ik in mijn werk ook de nadruk op de binding met – en het verhaal van – het landschap. Over de binding met het landschap zei Hella Haase in Oeroeg zo mooi: “het landschap van onze jeugd is het stof waaruit we zijn geweven”. Het verhaal van het landschap zul je moeten begrijpen om er aan verder te bouwen. Dan is het lastige dat niet alle voorgaande hoofdstukken te behouden zijn, want dan wordt het onleesbaar, maar je zult de essentie moeten zien vast te houden en te waarborgen. Momenteel komen er op ons landschap echter een aantal idioot grote ontwikkelingen af die aan het verhaal geen boodschap hebben en een geheel eigen systematiek en ordening hebben. En toch moeten we zorgen dat die twee elkaar op een of andere manier gaan ontmoeten.

En wat is jouw rol als PARK daarin?

Als PARK word ik verondersteld agenderend te adviseren en dan vooral over de grote opgaven die op de lange termijn invloed gaan hebben op het landschap, zoals bodemdaling, energietransitie, transitie van de landbouw, CO2 uitstoot en klimaatadaptatie. En de allergrootste opgave is deze opgaven in onderlinge samenhang te bezien. De provincie is een grote ladekast waarin iedereen vanuit zijn eigen dossier reageert en ik probeer de nadruk te leggen op de kast en wat minder vanuit de lades te kijken.

Dat doen we bijvoorbeeld bij de scenariostudie Groene Hart waarin ik samen met de provinciaal adviseurs van Utrecht en Zuid-Holland een ontwerpend onderzoek ben gestart om tot samenhangende oplossingen te komen voor de grote opgaven in de veenweiden van het Groene Hart. Voor Noord-Holland doen we onderzoek in de Amstelscheg. We hebben de ambitie om de uitkomsten te vertalen naar Zaanstreek-Waterland.

Daarnaast heb ik een signalerende taak. Vaak is niet duidelijk wat de impact is van nieuwe ontwikkelingen, bijvoorbeeld bij datacenters waar er steeds meer van verschijnen. Dat lijkt een kwestie van inpassen, maar er komt veel meer bij kijken. Waar moeten ze komen, want er is veel behoefte aan energie en aan koelwater en het netwerk moet ook dichtbij liggen. Vervolgens moet je er rekening mee houden dat een datacenter nooit alleen komt, want andere bedrijven hebben behoefte aan de restwarmte. De opgave is daarmee veel complexer dan alleen een gebouw inpassen, en om dat soort sturingsmechanismes te signaleren is een deel van mijn taak.

Wat gaan gemeenteambtenaren bijvoorbeeld van jou horen?

Ik ben aangesteld om in de eerste plaats te adviseren aan het college van GS, dus in die zin zal een gemeenteambtenaar niet meteen iets van mij horen. Ofschoon, als het gaat om grote gemeentelijke ontwikkelingen met een regionale impact dan kan ik wel om advies gevraagd worden door GS.
Daarnaast zijn we momenteel op een tour langs verschillende regio’s en gemeenten, om kennis te maken, maar ook om deze direct te adviseren.

Voor jouw periode als PARK heb je een agenda opgesteld, wat zijn de belangrijkste punten en waar ligt je focus in die agenda? Speelt erfgoed daar een rol in?

In de MRA vind ik de verbinding stad-land erg interessant. Hoe kunnen we er zowel fysiek als mentaal één gebied van maken? We zijn het er min of meer wel over eens dat we de grote woningbouwopgave binnen bestaand stedelijk gebied moeten gaan oplossen. Daardoor ontstaat een intensievere en misschien ook wel een interessantere stad, maar die intensievere stad gaat alleen werken bij de gratie van een fantastisch buitengebied, dat vanuit de stad snel en veilig bereikbaar is. Het buitengebied is allang niet meer alleen productiegebied van de stad, maar ook uitloopgebied, uitrengebied, koelmotor en regenton voor de stad. Hoe gaan we ervoor zorgen dat het al die functies kan vervullen? De regio IJmond wordt wel gezien als het lelijke eendje van de provincie, maar het kan ook een fascinerend recreatie- en erfgoedgebied zijn. Maak het bereikbaar en bekend. Dat gebeurt bijvoorbeeld al tijdens de Week van de industriecultuur (red.).

Hoe kunnen we zorgen dat Schiphol gaat landen in zijn omgeving? Kunnen we zorgen dat de Haarlemmermeer met zijn fragiele structuur en de ringvaart weer sterk en krachtig wordt? Kunnen er nieuwe recreatieve verbindingen tot stand komen? Zou de luchthaven ook iets terug kunnen doen voor zijn omgeving?

Wat zie je als meest positieve ontwikkeling of trend in het Noord-Hollandse landschap?

Dat mensen toch wel in de gaten krijgen dat het landschap gaat veranderen, maar dat er ook nieuwe kwaliteiten aan toegevoegd kunnen worden. Een omslag in denken, van ‘beperken van schade’ naar ‘ontwikkelen van nieuwe kwaliteit’.

(Tekst: Jeroen Zomer, Beeldverantwoording: BoschSlabbers)