Historische verenigingen, ambtenaren en de Omgevingswet

‘Wacht maar een paar decennia, dan heeft het kapitalisme gefaald en krijgt mijn gebouw zijn bedoelde functie’, met woorden van die strekking voorspelde architect Berlage volgens directeur Marcel Schonenberg het moderne gebruik van het gebouw: de Beurs van Berlage is anno 2019 een centrale ontmoetingsplek in de stad. Op een plek die historie ademt organiseerde het Steunpunt Monumenten & Archeologie Noord-Holland op 27 mei 2019 een bijeenkomst over de Omgevingswet voor historische verenigingen en ambtenaren. Met deze bijeenkomt wordt beoogd een constructieve dialoog tussen gemeenten en maatschappelijk betrokken partijen te bevorderen.

Erfgoed en de Omgevingswet

Flip ten Cate van Federatie Ruimtelijke Kwaliteit (FRK) begon het inhoudelijke programma met een uiteenzetting over de Omgevingswet. Met de wet werd gepoogd de vorming en het behoud van een veilige en gezonde leefomgeving anders te structureren dan voorheen. Na een lobby in Den Haag slaagde de FRK er in om aan die agenda nog ‘goede omgevingskwaliteit’ toe te voegen. Volgens Ten Cate is de transitie de grootste wetgevingsoperatie uit de Nederlandse geschiedenis. Het is een opschoningsoperatie: een vergunningsaanvraag moet transparanter en minder ingewikkeld worden.

Maar ook leidt de verandering tot een heroverweging van de relatie tussen overheid en samenleving. In plaats van toetsen aan starre regels wil de overheid nu mét de samenleving toewerken naar een omgevingsplan. De burger wordt gevraagd om een bijdrage: participeren is één van de pijlers van de Omgevingswet. Het betrekken van de omgeving is volgens Ten Cate een goed idee maar draagt ook een gevaar in zich mee. Het is namelijk niet ondenkbaar dat die omgeving wordt beïnvloed door belanghebbenden. Op die manier kan het publieke belang in handen komen van partijen met een persoonlijk belang.

De wet zou door vage definities in de praktijk problematisch kunnen werken. Ter illustratie noemt Ten Cate de ‘monumentenbiotoop’. Dat is de omgeving van een monument en in die omgeving mogen activiteiten straks niet zodanig zijn dat ze de kwaliteit van het monument aantasten. Wat echter precies de omgeving van het monument is, en wat aantasten precies betekent, dát zegt de wet niet. Wat betreft monumenten kunnen we er wel van uit gaan dat alles dat nu een beschermde status geniet dat straks ook doet.

Presentatie Flip ten Cate
Artikel Erfgoed in de Omgevingswet
Flip ten Cate over de Omgevingswet
Nancy Arkema over de constructieve dialoog
Het programma was interactief
Constructieve dialoog

Aan de zaal – waarin naast leden van historische verenigingen ook ambtenaren en vertegenwoordigers van erfgoedinstellingen zaten – vroeg Nancy Arkema (Nancy Arkema | Ontwerp + Advies) of iemand positieve ervaring heeft met participatieprocessen. De ervaringen bleken wisselend. Zo sprak een lid van Ons Bloemendaal over de druk die de gemeente kan uitoefenen om op een bepaalde manier te participeren. Een lid van Zaans Erfgoed vertelde echter dat zijn vereniging vaak meeleest met gemeentelijke stukken, geraadpleegd wordt voor redengevende omschrijvingen en een aantal monumenten mag voordragen per jaar.

Welke rol kunnen historische verenigingen spelen bij het maken van een beleidsvisie? Uit navraag in de zaal bleek dat de aanwezige leden zichzelf vooral zien als betrokken, en in mindere mate als belanghebbend of expert. Toch bezit een historische vereniging veel lokale kennis. Gemeente Langedijk schakelde de verenigingen bijvoorbeeld in bij het opstellen van een nieuwe visie over erfgoed. Via werktafels werd zo de plaatselijke expert geraadpleegd. Wél stelde de vertegenwoordiger van de gemeente dat de houding van de verenigingen soms te toetsend kan zijn: in het proces past een constructieve dialoog vaak beter.

“Je praat en je praat tot het Praten begint” omschrijft Arkema die constructieve dialoog. Het is een goed gesprek – en géén discussie! – over de omgeving waarin naar elkaar luisteren voorop staat. De dialoog wordt op die manier ingezet als middel dat inzicht geeft in de belangen. De ontwerpkracht van de aanwezigen kan aangewend worden als de lijn waarlangs de dialoog gevoerd wordt; er kan bijvoorbeeld gepraat worden aan de hand van kaarten en foto’s uit de omgeving. Dat kan zowel groot- als kleinschalig. Iedereen binnen een (paar) postcode(s) kan uitgenodigd worden om mee te praten, of het gesprek speelt zich af aan de keukentafel tussen slechts enkele belanghebbenden.

Uit reacties in de zaal blijkt dat de constructieve dialoog nog niet overal wordt gevoerd. Verenigingen hebben soms het gevoel dat zij te laat in het proces worden geraadpleegd. Zoals een lid van de Historische Vereniging Wieringen zegt: “als een vergunning is afgegeven kun je daar niets meer aan doen”. Een lid van Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad vindt het lastig om vroeg bij werkgroepen betrokken te raken. Als zijn vereniging meepraat komt dat vaak door goedwillende initiatiefnemers. Wanneer de belangen groot zijn worden ze vaak niet uitgenodigd. Een medewerker van Stadsherstel spreekt daarop zijn zorgen uit. Door de Omgevingswet zullen vaker participerende partijen geraadpleegd moeten worden en het kan het herbestemmingsproces vertragen als de houding van alle partijen niet constructief is.

Het is kenmerkend voor de constructieve dialoog dat niet elk belang even zwaar kan tellen. Wél kan iedereen gehoord worden en kunnen de belangen door de groep zorgvuldig worden afgewogen. De partijen die aan tafel zitten moeten dan ook een constructieve houding aannemen. Dat dit kan blijkt uit het verhaal van de Historische Vereniging Alkmaar. De vereniging heeft goede afspraken met de gemeente. Over vergunningsaanvragen mogen zij preadvies uitbrengen aan het college, de wethouder erfgoed, en de welstands- en monumentencommissie. Niet zelden dragen zij zo hun steentje bij aan goede omgevingskwaliteit.

Marinke Steenhuis over het landschap van de MRA
Het landschap van de MRA

Het programma werd afgesloten door Marinke Steenhuis van SteenhuisMeurs, die het landschap van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) onderzoekt als historisch verdienmodel. Verdienmodellen als de vaareconomie, landbouw (met dijken als voorwaarde), visserij, vervening, droogmakerijen, veeteelt, schoonheid en esthetiek, kaas, sierteelt, zandwinplaats, waterwinning in de duinen, forensisme, vuilnis, goedkope arbeid, en de ‘Flevoproductieschuur’. Het gebruik van het landschap heeft zijn ruimtelijke weerslag. Omdat het gebruik onder andere afhankelijk is van techniek is het door de tijd heen met de mogelijkheden meegegroeid. Inherent veranderde het landschap mee. Het onderzoek van Steenhuis is nog in volle gang. Ze nodigt dan ook eenieder uit haar te bellen of mailen met informatie (www.steenhuismeurs.nl).

(Tekst: Primo Reh, Beeldverantwoording: Steunpunt Monumenten & Archeologie Noord-Holland)