Herbestemming: Badhuis Dudok – Hilversum

Projectgegevens

Naam Badhuis Dudok
Adres Meidoornstraat 2, Hilversum
Bouwjaar 1920/1921
Voormalige functie badhuis
Nieuwe functie woningen
Oplevering 2018
Status rijksmonument sinds 1991, beschermd stadsgezicht
Architect(en) W.M. Dudok (badhuis), Paul Hendriks & Bob Custers i.s.m. TAK Architecten (herbestemming)
Initiatief Paul en Marleen Hendriks, Bob Custers en Sjoerd Riedstra

Wonen in het badhuis van Dudok

Ruim een halve eeuw badderden inwoners van Hilversum in het badhuis aan de Meidoornstraat. Nadat de vraag naar badhuizen verminderde bleek het uiteindelijk niet mogelijk om het openbare karakter te bewaren. Recent kreeg het rijksmonument een nieuwe bestemming door een particulier initiatief dat tot de verbeelding spreekt. Wie wil er nu niet wonen in een badhuis dat is ontworpen door Dudok?

Toen

“Thans ontplooit zich voor ons oog een fraai woningcomplex met een badhuis, dat een sieraad voor de gemeente mag genoemd worden. (…) Dit badhuis, gebouwd met de lessen der praktijk en ervaring, mag een model-badhuis heeten.” Met deze lovende woorden deed De Gooi- en Eemlander verslag van de opening van het nieuwe volksbadhuis aan de Meidoornstraat op 3 december 1921. Een woord van hulde volgde voor de ontwerper en alle anderen die ‘met zooveel voortvarendheid’ aan de bouw van het badhuis hadden bijgedragen.

Die ontwerper was niemand minder dan architect W.M. Dudok (1884-1974), die op dat moment directeur van Openbare Werken en gemeentearchitect van Hilversum was. Het badhuis maakte onderdeel uit van een door hem ontworpen gemeentelijk woningbouwcomplex in Hilversum-Zuid. Omdat de meeste huizen destijds nog geen badkamer hadden, waren de bewoners aangewezen op de wekelijkse tobbe. Het badhuis was een grote stap vooruit op het gebied van hygiëne.

Lees verder op de website van Oneindig Noord-Holland.

Herbestemming

Tot 1975 deed het gebouw dienst als badhuis. Daarna huisvestte het een medisch centrum en de laatste jaren stond het leeg. In de leegstandsjaren waren er meerdere herbestemmingsinitiatieven; voorbeelden zijn een makelaarskantoor, een kinderdagverblijf en een hamam. Geen van die plannen vond doorgang, mede door de rijksmonumentenstatus die het badhuis in 1991 verkreeg. Een functiewijziging van een rijksmonument vraagt namelijk een goed doordacht plan. Volgens de huidige bewoner en architect Paul Hendriks waren er veel partijen die “met de linker hand de schetsrol en met de rechter de slijptol” droegen. “Maar de sleutel tot succes hebben ze niet gevonden.”

Friederike Hensch, beleidsadviseur cultureel erfgoed van gemeente Hilversum, vertelt dat de wijzigingen die vóór het verkrijgen van de monumentenstatus werden doorgevoerd vrij ingrijpend zijn geweest. De oorspronkelijke (douche)celstructuur is helemaal verdwenen. Hensch: “Aan de ene kant is dat jammer; aan de andere kant biedt dat een nieuwe ontwikkelaar wel meer ruimte.” Hendriks, die zijn eigen woning ontwierp, “had als ontwerpadagium om het monument weer in ere te herstellen. Het monumentale staat op één, de functie en invulling zijn volgend.” De symmetrie van het pand leidde uiteindelijk tot een splitsing in twee woningen. Hendriks herstelde de oorspronkelijke 25 meter lange gang, die toegang verschafte tot de doucheruimtes. Ook restaureerde hij de door Dudok ontworpen kloktegeltjes, die vermoedelijk het moment aangaven waarop men moest stoppen met douchen.

Dé ontwerpuitdaging was om genoeg daglicht te creëren. Hendriks’ sleutel tot succes was de ontdekking van het oorspronkelijke bleekveld in de ontwerptekeningen van Dudok. Een bleekveld was een veld waarop men vroeger de was liet bleken – in dit geval was dat veld gelegen binnen een patio. Bij een verbouwing tussen circa 1945-1947 werd de patio dicht gemaakt omdat het aantal baden uitgebreid moest worden. De patio – die in het midden zit en daarom meegesplitst werd tussen de twee woningen – werd hersteld en voorzien van een glazen kap. Het daglicht komt nu weer van binnenuit; precies zoals het ooit werd bedacht door Dudok. Hensch: “Ik ben ontzettend blij dat we tot een ontwerp zijn gekomen waarbij we de bestaande openingen in de buitengevel – die heel klein en hoog zijn – hebben kunnen behouden. Dat is heel mooi en knap.”

Succesfactoren

Volgens Hensch was Hendriks een “hele prettige initiatiefnemer, die alles zorgvuldig wilde doen”. Hendriks liet een cultuurhistorisch waardenonderzoek uitvoeren, dat al in een vroeg stadium aan (en met) de gemeente werd overlegd. Op haar beurt legde de gemeente het onderzoek voor aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), die over het plan positief adviseerde. Daarnaast heeft Hendriks in overleg met de gemeente getracht de buitenruimte zo goed mogelijk in te richten. Hensch: “Voor Dudok was het belangrijk dat het gebouw uit het groene grasveld verrees, zonder obstakels eromheen.” In samenspraak met een landschapsarchitect werd er zo subtiel mogelijk toch een erfafscheiding ontworpen.

Ook toen de vergunningverlening langer op zich liet wachten, bleven Hendriks en de gemeente goed samenwerken. Hensch: “Dit soort processen kunnen bij ons soms wat langer duren. Wél hebben we het een reguliere procedure gehouden.” Dat houdt in dat de omgevingsvergunning binnen acht tot veertien weken wordt verleend; een uitgebreide procedure kan wel zes maanden duren. Omdat het traject toch meer dan veertien weken duurde, werd de vergunning bijna van rechtswege verleend. Hendriks nam daarop het risico om de termijn op te schorten en zo de gemeente uitstel te verlenen. “Dat was een bewuste keuze. We hadden een goed plan en het is voor ons ook belangrijk dat er een monumentencommissie naar gekeken heeft. Dit verhoogt het draagvlak en het is fijn als je er met de gemeente in goed overleg uit kan komen.”

Erfgoedontwikkelaar BOEi deed een haalbaarheidsonderzoek naar de herbestemming tot woongebouw: “Dit bleek bouwkundig goed mogelijk, maar [is] financieel niet realistisch.” Toch lukte het Hendriks. Het hielp dat hij een subsidie kon overnemen die door de vorige eigenaar al was aangevraagd. Het gaat om de Subsidieregeling instandhouding rijksmonumenten (Sim) van de RCE, die wordt verleend voor onderhoud en klein herstel. In dit geval was de subsidie bedoeld voor werk aan de buitenzijde, zoals schilderwerk, de voegen en het vervangen van een ruit. De splitsing van het pand was echter de crux om de herbestemming financieel haalbaar te maken. Na de verbouwing werd de ene helft verkocht en in de andere helft ging Hendriks zelf wonen.

Struikelblokken

De scheidende wand is niet dragend en daarom reversibel. Die reversibiliteit noemt Hensch “een ruim begrip. Wanneer [een pand] een woonfunctie heeft gekregen zal het daarna niet snel een publieke functie terugkrijgen.” De gemeente was daarom in eerste instantie geen voorstander van een functiewijziging. “Onze reactie was terughoudend, in die zin dat wij het jammer vinden dat het laatste badhuis in Hilversum verloren gaat aan particuliere doeleinden.” Hendriks herinnert zich dat ook de monumentencommissie eerst moeite had met het plan: “Het openbare van een badhuis is natuurlijk wel wat anders dan de privé setting van een woonhuis.” Toen de gemeente zich over de functiewijziging boog bleek er echter een dubbele bestemming te bestaan: maatschappelijk én wonen. Hensch: “Bij het maken van het bestemmingsplan had er op objectniveau gekeken moeten worden; dit was eigenlijk een gat in het plan. […] We hadden [tegen de woonfunctie] niets in kunnen brengen. Als wij de eigenaar waren geweest hadden we het niet zo snel een woning laten worden; aan de andere kant had het dan misschien veel langer leeg gestaan.”

Tips

Zoals gezegd is Hensch over het verdere verloop tevreden: “Als je langs het gebouw loopt zie je niet dat er iets veranderd is. Ik zie dit project als een geslaagde herbestemming.” Als beleidsadviseur cultureel erfgoed van de gemeente Hilversum raadt ze andere ambtenaren aan om bij dergelijke projecten integraal te werken. Ga vroegtijdig in gesprek; zoek uit wie je allemaal nodig hebt – “de RCE ook?”; zorg dat je het team snel bij elkaar hebt. En temper de verwachtingen: “Je wilt snel faciliteren, maar ook zorgvuldig te werk gaan. Het zou kunnen dat je een langer traject in moet gaan.”

Hendriks noemt het cultuurhistorische onderzoek “essentieel” om gedaan te hebben vóór de planvorming. De oorspronkelijke bouwtekeningen geven namelijk een schat aan (ontwerp)informatie. Zo werd het bleekveld ontdekt in tekeningen uit het streekarchief. “Daarnaast geef je ermee aan dat je het belangrijk vindt om de herbestemming zorgvuldig uit te laten voeren.” Verder is een herbestemming als deze een grote investering. “Toen wij het kochten was het nog een bedrijfspand en als particulier kan je daarop moeilijk een hypotheek krijgen. Ik kon pas een reguliere hypotheek aanvragen toen de vergunning verleend was; toen was het pas officieel een woning. Dat was een hobbel die we met de mede-initiatiefnemers hebben kunnen oplossen.”

(Tekst: Primo Reh | Beeld: Ossip van Duivenbode)