Evaluatie Erfgoedwet en archeologie in gang gezet

Op dit moment worden de archeologische onderdelen van de Erfgoedwet geëvalueerd. De evaluatie vindt vervroegd plaats door een motie van SP-Tweede-Kamerlid Sandra Beckerman. Zij maakte zich zorgen over de uitwerking van de wet op met name de archeologie. Zo vroeg ze onder meer aandacht voor deskundigheid en capaciteit bij gemeenten.

Op 1 juli 2016 werd de Erfgoedwet van kracht. In de Erfgoedwet staat hoe er met het culturele erfgoed wordt omgegaan, wie waar verantwoordelijk voor is en hoe het toezicht wordt uitgeoefend. Onder de Erfgoedwet worden musea en collecties, (gebouwde) monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten én archeologie beschermd. De wet zou binnen 5 jaar na invoering worden geëvalueerd. Maar door de Kamermotie heeft de minister van OCW besloten de evaluatie te vervroegen. Vanuit de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed is projectleider Annemarie Luksen-IJtsma bij de evaluatie betrokken.

Knelpunten

De motie Beckerman vraagt onder meer aandacht voor drie knelpunten die eerder uit onderzoeken van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed én de Raad voor Cultuur naar voren kwamen. Het gaat daarbij om: gemeenten die hun taken nu niet goed of goed genoeg kunnen uitvoeren, terwijl er extra taken bij gaan komen door de Omgevingswet; de kwaliteit van het archeologisch onderzoek bij bedrijven én de onzichtbaarheid van archeologie bij een breed publiek.

Capaciteit en beleid

Voor gemeenten is het belangrijk te kunnen beschikken over capaciteit en inhoudelijke deskundigheid voor het goed kunnen vormgeven en uitvoeren van archeologiebeleid. Zeker bij kleinere gemeenten is de capaciteit waar het gaat over erfgoed, beperkt. En de erfgoedambtenaar heeft vaak nog andere taken dan archeologie op zijn of haar bordje. Diezelfde ambtenaar moet tegelijkertijd ook nog adviseren bij vergunningaanvragen. Hierbij gaat het om (inhoudelijke) beoordeling van en advies op plannen of uitgevoerde archeologische onderzoeken. Dit vereist veel specialistische kennis die binnen een gemeente niet altijd geborgd is. De vraag is daarom of in ruimtelijke ontwikkeling wel de juiste keuzes kunnen worden gemaakt met betrekking tot behoud in situ van, en onderzoek naar archeologisch erfgoed.

Want dat is feitelijk het doel van de Erfgoedwet: belangrijk archeologisch erfgoed behouden, het liefst in de bodem (in situ) maar als het niet anders kan, dan de kennis over het verleden veilig stellen door middel van onderzoek (ex situ). De archeologische voorraad is eindig en heel kwetsbaar. Eenmaal verstoord is het voor altijd verdwenen.

Luksen-IJtsma: “De mogelijkheden voor “behoud in situ” in ruimtelijke ontwikkelingen zijn al eens eerder in kaart gebracht, in 2013 en 2015. Nu zal er een actualisatie plaatsvinden: hoe vaak worden vindplaatsen in situ behouden, en hoe verhoudt zich dat ten opzichte van de eerdere studies? En wat is er in de afgelopen 10 jaar gebeurd met de vindplaatsen die eerder in situ waren behouden?”

Zorgen om kwaliteit

De kwaliteit van het archeologisch onderzoek is deels al in kaart gebracht door een studie in opdracht van het Centraal College van Deskundigen Archeologie (CCvD) en recent gepubliceerd onder de titel: “Graven naar verbetering”. Hierbij is onder andere gekeken naar het kwaliteitssysteem. Conclusie: er is nog werk aan de winkel. Het CCvD constateert wel dat de druk op de kwaliteit mede het gevolg is van keuzes die de rijksoverheid heeft gemaakt, en de ruimte die Erfgoedwet en straks Omgevingswet daarvoor bieden. De komende maanden zal het CCvD samen met het archeologische veld na gaan denken over de diverse aandachtspunten. Hieronder valt ook de benutting van de inhoudelijke kennis die al die onderzoeken opbrengen.

Aandacht voor opbrengst en publieksbereik

Die ‘opbrengst’ komt ook terug in de motie-Beckerman. Hoe breng en houd je archeologie onder de aandacht van het grote publiek? En dan niet één keer per jaar tijdens de Nationale Archeologiedagen in oktober maar blijvend, mét het besef dat er ook zorg moet zijn voor het begraven verleden. En dat die zorg wordt omgezet in archeologiebeleid dat naast de inhoudelijke en ruimtelijke kant ook die publiekskant in zich bergt. Hierbij kan het gaan om publieksactiviteiten, maar ook benutting van de archeologische kennis voor vormgeving en groen in de openbare ruimte, educatieve programma’s, recreatie en toerisme, identiteit voor wijk, dorp, stad en regio, en zelfs gezondheid en sport.

Met het archeologische veld en betrokkenen

De motie van de Tweede Kamer stipte niet alleen bovenstaande knelpunten aan, maar gaf ook de specifieke opdracht de evaluatie samen met het archeologisch werkveld en betrokkenen uit te voeren.

Projectleider Luksen-IJtsma legde in een bijeenkomst in januari het werkveld vragen voor die waren gebaseerd op de motie-Beckerman en de brief van minister Van Engelshoven. Ze stelt dat dit soort brede bijeenkomsten heel nuttig zijn. “Op verschillende punten deelt men de zorgen, en kan men elkaars bevindingen aanvullen. Hierdoor ontstaat een veel completer beeld dan wanneer je alleen vragenlijsten uit zou sturen of enkele grotere partijen zou bevragen. Een aantal zaken komt telkens terug, zij het vanuit verschillende perspectieven: de zorg over de omgang met archeologisch erfgoed hoewel slechts een deel in de Erfgoedwet is geregeld en juist het ruimtelijke beleid straks valt onder de Omgevingswet. Maar ook de benutting aan kennis: deelnemers vragen zich af wie er verantwoordelijk is voor de ontsluiting en het gebruik van de opgehaalde kennis van het verleden. Zijn dat de gemeenten of de archeoloog in het veld? In hoeverre kun en wil je een initiatiefnemer verplichten ook dat aspect nog voor zijn of haar rekening te nemen? En welke rol spelen universiteiten hierbij? De ervaringen uit de praktijk zijn heel waardevol om de omvang van de knelpunten en de mogelijke oorzaken en eventuele oplossingen in beeld te krijgen. Vanuit OCW en RCE willen we daarom ook graag weten hoe gemeenten omgaan met de gesignaleerde knelpunten. Waar loop je tegenaan, en wat is daarvan de oorzaak? Wordt er veel samengewerkt en zo ja, met wie dan? Wat werkt, wat niet? Ik wil dan ook iedereen oproepen om signalen en ideeën met ons te delen.”

De evaluatie van de Erfgoedwet loopt nog tot het einde van het jaar. Behalve het archeologische veld, OCW en RCE, buigen ook deskundigen van de Raad voor Cultuur en de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur zich over diverse aspecten. Er wordt ook over de grenzen gekeken: hoe verhoudt Nederland zich tot de buurlanden op het gebied van erfgoed? De eerste onderzoeksresultaten worden dit najaar verwacht.

Links
Motie-Beckerman
Brief minister Van Engelshoven over de evaluatie
Rapport “Graven naar verbetering”

(Beeldverantwoording: T. Penders, Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)