Nut en noodzaak: bouwhistorisch onderzoek

Om het draagvlak voor de bescherming van monumentale objecten te vergroten, helpt het als er voldoende kennis van het pand of gebied beschikbaar is. Onbekend maakt immers onbemind. Zo werd in de gemeente Heiloo door de eigenaar van een rijksmonumentale buitenplaats aan de Kennemerstraatweg met veel plezier bouwhistorisch onderzoek gedaan, maar in dezelfde gemeente werd de Campina fabriek nooit echt op waarde geschat. Helaas werden de prachtige hallen gesloopt en kon alleen de schoorsteen worden behouden.

Met dit artikel – dat is geschreven naar aanleiding van het Erfgoedteam over bouwhistorisch onderzoek op 27 maart 2019 – wil het Steunpunt Monumenten & Archeologie Noord-Holland de (monumenten)ambtenaar aanknopingspunten bieden bij de inspanning om erfgoed in de gemeente te beschermen.

Het Campinaterrein in 1955
De hallen van de Campina fabriek
Bied context aan het ontwerp

Bouwhistorische onderzoeken zijn niet alleen bedoeld om de waarden vast te leggen en inzicht te krijgen in de bouwgeschiedenis, maar dienen ook om context te bieden aan de architect. Een bouwhistorisch rapport kan helpen goed beargumenteerde keuzes te maken in de ontwerpfase. Als het goed is laat de architect daarom als onderdeel van zijn opdracht al onderzoek doen.

Het streven is om bouwhistorische elementen mee te nemen in het ontwerp. Vaak wordt het ontwerp er sterker van, zegt Rob de Vries, architect en bouwhistoricus. Bij zijn opdrachten voert hij vaak zelf (gedeeltelijk) het onderzoek uit. Dat kan gebaseerd worden op oude foto’s, kaarten en plattegronden. De belangrijkste aanwijzingen zijn echter te vinden in merken die in de constructie van het gebouw zijn gekrast of gebeiteld. Verhoogde en verlaagde plafonds, balkenstructuren, tegels en de datering daarvan, wat achter betimmering en schotten vandaan komt, (half) weggewerkte elementen, zoals kozijnen of deurtjes en opeenvolgende verflagen; alle zijn stukjes uit de historische puzzel.

Richtlijnen

Bij het verbouwen van een beschermd monument is het eigenlijk altijd raadzaam om een deskundige in te schakelen. Daarom is het verstandig om voor het onderzoek budget te reserveren. Volgens Dirk de Vries van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) gelden bij het doen van bouwhistorisch onderzoek de volgende richtlijnen:

  • Ingrijpend veranderen niet zonder bouwhistorisch onderzoek;
  • Onderzoek moet proportioneel zijn met focus op verandering;
  • Verstoorder betaalt bij doorbreken van vloeren en muren, ontgravingen, etc.;
  • Hou het oppervlakkig, spaar de gelaagdheid;
  • Oog voor detail is aanmoediging voor zorgvuldigheid, zoek het unieke;
  • Treed naar buiten met vondsten (laat anderen zien wat het onderzoek kan opleveren).

Lees uitgebreid over bouwhistorische onderzoeken en de richtlijnen van de RCE via onderstaande knop.

Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek
Quickscan

Maar niet bij alle projecten is er geld om het onderzoek door deskundigen uit te laten voeren. In die gevallen is het raadzaam om zelf (eigenaar of andere initiatiefnemer, architect) een quickscan uit te voeren. Dat is het maken van een plattegrond waarop de historische waarde van elementen in het gebouw in kleurstellingen zichtbaar gemaakt wordt. Vaak zijn in de beeldbank van de RCE de originele kadastrale kaarten te vinden, waarin de primaire – en latere – ontwikkeling van de verkaveling te zien zijn. Ook kun je in het gemeentelijke archief kijken. Daar zijn vaak bouwtekeningen aanwezig uit de periode na 1850.

De rol van de ambtenaar

Wanneer initiatiefnemers een omgevingsvergunning aanvragen voor de verbouwing of sloop van een historisch pand is in sommige gevallen de oplossing snel gevonden. Als het een monument betreft kunnen gemeenten een bouwhistorisch onderzoek namelijk verplicht stellen. Bij onbeschermde objecten is dat een stuk lastiger. Bouwhistorisch onderzoek kan dan wettelijk niet worden afgedwongen. Ondanks dat veel gemeenten goedwillend zijn loopt het aantal historische plekken sinds de Tweede Wereldoorlog hard terug. Wat kunnen gemeenten doen om te zorgen dat bouwhistorisch onderzoek toch wordt uitgevoerd? Vaak is het aan de ambtenaar om aanvragers te overtuigen van het nut en de noodzaak van het bouwhistorisch onderzoek.

Volgens Anita van Breugel, monumentenambtenaar bij gemeente Heiloo, bestaat haar rol onder meer uit enthousiasmeren, ondersteunen, aanreiken en het duidelijk maken van het belang van bouwhistorisch onderzoek. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente het bouwhistorisch onderzoek betalen. Als die mogelijkheid er niet is zal je als ambtenaar het (politieke) spel moeten spelen. Je bent afhankelijk van de monumentencommissie (die kan om meer informatie vragen over waarden die door een bouwhistorisch rapport aan het licht komen), de gemeentelijke politiek en de wethouder. Je kan van de initiatiefnemer het onderzoek niet eisen, maar het wel aanraden: ‘als we eerst een goede analyse van de situatie maken hebben we samen het meeste kans op een helder en vlot proces’. Probeer elkaar te vinden en werk met elkaar.

Ook de RCE raadt (monumenten)ambtenaren aan om te kijken wie medestanders zijn. Probeer iemand te vinden met gezag. Dat kan sterk helpen bij het creëren van draagvlak. Informeer bij historische verenigingen en zorg dat je als gemeente een vast aanspreekpunt hebt voor mensen met vragen over het onderzoek. En onthoud daarbij dat elke situatie weer anders is, je zult altijd maatwerk moeten leveren.

Enkele aanknopingspunten
  • Bij monumenten kan de gemeente het bouwhistorisch onderzoek afdwingen. De ambtenaar kan het onderzoek naar bouwhistorische elementen als randvoorwaarde aan de omgevingsvergunning koppelen. Ook de monumentencommissie kan om nader onderzoek vragen.
  • Je kunt een inventarisatie (laten) doen van alle historisch-bouwkundig interessante objecten in de gemeente (dus ook niet-monumenten). In het bestemmingsplan kan je vervolgens vastleggen dat er rekening moet worden gehouden met dit soort inventarisaties. Dat kan werken als steun in de rug als onzeker is of het bouwhistorisch onderzoek uitgevoerd gaat worden.
  • Wat doe je als ambtenaar met een bouwhistorische rapportage als blijkt dat de historische waarden een belemmering voor de bouwwerkzaamheden vormen? Dirk de Vries: “niet alles is heilig”. Met name bij een herbestemming moeten er afwegingen worden gemaakt. Het rapport kan altijd historische context bieden aan het ontwerp (zie de alinea’s hier boven).
  • Zoek medestanders en verbind ze; probeer het draagvlak voor het bouwhistorisch onderzoek te vergroten door met alle partijen die er wat mee te maken hebben in gesprek te gaan. De wethouder, de monumentencommissie, historische verenigingen en, niet te vergeten, de eigenaar. De wil is er vaak wel en samen komt een goede oplossing sneller in zicht!

(Tekst: Primo Reh, Beeldverantwoording: uit de presentaties van Rob de Vries en Anita van Breugel)