´Een kleine gemeente kan zich geen slecht erfgoedbeleid veroorloven´ 

Een interview met Cor Wijn, cultuurbeleidsspecialist

Tekst: Rosanne Bruinsma

Waarom is erfgoed waardevol voor de stad?

‘Erfgoed is bij uitstek wat een grote stad interessant en leefbaar maakt. Maar het is ook mijn overtuiging – en er zijn veel onderzoeken die dit onderbouwen – dat steden alleen maar succesvol zijn als ze cultureel geladen zijn. Steden zijn in een competitie verwikkeld geraakt om zo aantrekkelijk mogelijk te zijn voor de hoog opgeleide jonge mens. Een goed cultureel aanbod, en een bepaald niveau van voorzieningen in algemene zin, is ontzettend belangrijk om deze groep aan te trekken. Het inzicht van de afgelopen twintig jaar is in toenemende mate dat bedrijven zich daar vestigen waar ze goede werknemers kunnen vinden. Dat is het verhaal van Richard Florida in The Rise of the Creative Class, 2002, maar ook het werk van Gerard Marlet, Atlas voor gemeenten 2018, wijst dit uit.

Ik hoorde afgelopen weekend een interview op de radio met Kees Vuyk over zijn boek ‘Oude en nieuwe ongelijkheid’. Zijn boek gaat over sociale segmentatie in Nederland. Hij schetst het beeld dat hoger opgeleiden in toenemende mate in de steden gaan wonen en dat lager opgeleiden, degene die minder kansen hebben en de werklozen zich vooral in de periferie bevinden. Het werkt dus ook andersom – hoe minder cultuur en voorzieningen, hoe minder succesvol de stad in economisch maar ook in sociaal opzicht is. Uiteindelijk werkt een gebrek aan cultuur en voorzieningen sociale ongelijkheid in de hand. Het is dus zaak dat er in de periferie ook aandacht is voor cultuur en erfgoed.’

Denk jij dat kleine en/of landelijke gemeenten andere belangen hebben ten aanzien van erfgoedbeleid dan grote, stedelijke gemeenten?

‘Als kleine of landelijke gemeente moet je meer je best doen om de moeite waard te blijven. Het helpt dan enorm als er leuke dingen te doen zijn en als de gemeente er fatsoenlijk uitziet. Naarden is daar een goed voorbeeld van: het is een stadje dat er prachtig uitziet en zijn monumenten koestert. Mede hierdoor is het een ontzettend interessante plek.

Ik denk zelfs dat goed cultuur- en erfgoedbeleid voor kleine en landelijke gemeenten belangrijker is dan voor grote, stedelijke gemeenten. Ondanks dat grote en nieuwe steden zoals Lelystad, Zoetermeer en Tilburg niet worden gekenmerkt door een fantastisch erfgoed of een historische gebouwde omgeving, zijn ze in cultureel opzicht interessant omdat er allemaal dingen gebeuren. Kleine en landelijke gemeenten hebben echter geen geld om een poppodium of een theater in stand te houden; het is dan zaak om voorzichtiger om te gaan met hetgeen je hebt aan erfgoed en cultuur. Het is ook zaak om kansen te grijpen die zich voordoen.’

Gemeentelijke politiek raakt steeds meer gefragmenteerd. Wat is volgens jou de betekenis hiervan voor erfgoedbeleid?

‘Lokale partijen worden steeds groter in gemeentelijke politiek. Mijn ervaring is dat erfgoed bij hen in goede handen is. Ze zijn vaak heel behoudend waardoor ze gemotiveerd zijn om historische structuren te behouden. Je zou zelfs kunnen stellen dat erfgoed gebaat is bij de overwinning van lokale partijen.

Bovendien verandert er in wezen weinig; cultuurbeleid in Nederland is weinig afhankelijk van politieke voorkeur. Er zijn accentverschillen maar die worden volledig weggepoetst in de compromissen die gesloten worden om coalities tussen 3, 4 en soms veel meer partijen te sluiten – in ieder geval ten aanzien van cultuurbeleid. Gemeenteraadsverkiezingen maken voor de dagelijkse praktijk van de erfgoedambtenaar dus heel weinig verschil.

Ik merk wel dat het tegenwoordig moeilijker is om tot besluitvorming komen. De coalities worden steeds breder waar het lastiger wordt om een gezamenlijke koers te bepalen. Ik denk echter dat cultuur en erfgoed hier relatief gezien redelijk goed van af komen omdat cultuur niet zo ideologisch geladen is.’

Wat is jouw visie op de impact van decentralisatie voor erfgoed en cultuur?

‘Ik geloof heel erg in systemen van checks and balances. Op dit moment vind ik de decentralisatie op het gebied van de monumentenzorg te ver doorgeschoten. Mijn inziens is het mandaat van de Erfgoedinspectie erg uitgehold tegenwoordig. Ik heb recent een artikel geschreven voor de Erfgoedstem, ‘5 voorstellen om de Monumentenzorg te verbeteren’. Mijn eerste voorstel hierin is om een monumentenautoriteit in het leven te roepen. Mijn inziens zou de Erfgoedinspectie opgenomen moeten worden in een nieuw orgaan. Dit orgaan zou een bredere opdracht moeten hebben dan de Erfgoedinspectie thans heeft en verder weg moeten staan van de RCE dan momenteel het geval is. In de gezondheidszorg heb je ook een waakhond die aan naming en shaming doet. Ik zou dat voor de erfgoedsector ook willen zien.

In het kader van de checks and balances zijn de provinciale steunfuncties ook heel belangrijk want er zijn tegenwoordig veel gemeenten die weinig capaciteit hebben op het gebied van erfgoed. Dan heb je zo´n provinciale steunfunctie nodig om de boel een beetje te stutten en ook om kennisuitwisseling tot stand te brengen.’

De toekomst van de erfgoed ambtenaar: integraal of specialistisch?

‘We hebben te maken met twee tegenstrijdige tendensen: enerzijds wordt alles en iedereen steeds specialistischer en anderzijds willen we integraal werken en processen versimpelen. Dat is een voortdurend spel, maar het uiteindelijke resultaat is dat het steeds ingewikkelder en meer technocratisch wordt.

Doordat de samenleving steeds complexer wordt willen we alles vastleggen. We willen ook steeds meer integraal vastleggen; we willen een monument niet op zichzelf beschouwen maar ook het interieur, de ruimtelijke context en de milieuwaarde erbij betrekken. Doordat het complexer wordt heb je steeds meer deskundigen nodig die op een steeds kleiner terrein onderlegd zijn. Veel gemeenten hebben toezicht en handhaving belegd bij de RUDs omdat zij gespecialiseerd zijn in toezichthouden. Daar werken echter mensen die weinig lokale kennis hebben en niet voldoende zijn ingevoerd in de monumentenzorg. Dit heeft als gevolg dat er heel weinig van het goed toezichthouden op monumenten terecht komt.’

Heb je een idee hoe een erfgoedambtenaar zich staande kan houden in de integrale werkwijze die de Omgevingswet behoeft? Erfgoed heeft minder meetbare en harde normen dan milieu, bijvoorbeeld.

‘Ik denk dat het heel belangrijk is – en dat is tegen de trend in – om binnen gemeenten een soort Gideon’s bende of een klein Gallisch dorpje te vormen. Een aantal gemeenten, zoals Amsterdam en Den Bosch, hebben een team dat het erfgoed behartigt en werkt als een gespecialiseerd bureau met verschillende, samenwerkende disciplines. In veel gemeenten wordt er echter een knip gemaakt. De ene cultuur ambtenaar gaat naar ruimtelijke ordening, de ander gaat naar toezicht en handhaving, enzovoort. Dat is echt een hele slechte ontwikkeling. De politiek kan daar wel een rol in spelen door in te zien dat je veel meer kan bereiken als je de expertise bij elkaar houdt.’

Van stenen naar stories, van object naar gebruiker: deze tendens is overal aanwezig. Hoe kijk jij daar naar?

‘Ik ben daar heel ambivalent over. Aan de ene kant vind ik het een hele goede ontwikkeling want alles ís erfgoed, maar het maakt het ook een stuk complexer. Ik denk eigenlijk dat het een pendule zal blijken en dat we over 5 of 10 jaar van de weeromstuit weer heel objectgericht gaan proberen om dat ene losse monument of die specifieke archeologische site te beschrijven en beschermen.

Bovendien is de dagelijkse praktijk van de ambtenaar niet in overeenstemming met deze tendens. We zijn in de monumentenzorg conceptueel bezig met stories en participatie, maar uiteindelijk gaat het toch om de materiele uitingsvormen en hoe we daar mee omgaan. Want het zijn de materiele uitingen die blijven, terwijl al het andere uiteindelijk toch verdwijnt en vergaat.’