Archeologievriendelijk bouwen – Heipalen

Heipalen zijn voor een archeoloog normaal gesproken niet zulke interessante fenomenen. Ze zijn recent en een sta-in-de-weg bij het opgraven. Toch moeten gemeenten of adviseurs archeologie zich er wel in verdiepen. Bij een bouwaanvraag krijg je namelijk regelmatig de vraag: “De enige bodemverstoring die we veroorzaken bij dit bouwproject zijn heipalen. Dat is zo’n klein percentage van de oppervlakte, moeten we hier wel archeologisch onderzoek doen?”

Dat levert de volgende dilemma’s op: welk percentage verstoring is acceptabel? Kunnen we daarover beslissen zonder te weten om wat voor vindplaats het gaat, of moeten we dan eerst een vooronderzoek doen? En blijft de vindplaats wel beschikbaar voor toekomstig onderzoek? Want dat is waar het in situ beleid om gaat: het bewaren van een representatieve selectie van het bodemarchief voor de toekomst en de toekomstige onderzoekers.

Erfgoedteam discussie op 12 september

Over deze kwesties hadden we het in het Erfgoedteam van het Steunpunt Monumenten en Archeologie Noord-Holland op 12 september 2018. Sprekers waren Maarten Groenendijk, stadsarcheoloog van Gouda, die een groot (promotie-) onderzoek doet naar heipalen en archeologievriendelijk bouwen, en Linda Verniers, adviseur archeologie voor de BUCH-gemeenten, die bezig is een leidraad voor die gemeenten op te stellen over funderingspalen.

Maarten Groenendijk had goed nieuws: bij het gebruik van heipalen is de verstoring van de bodem, buiten de heipaal zelf, eigenlijk vrij gering. Palen trekken grond naar beneden als ze worden ingeslagen of -geschroefd. Het effect is echter beperkt: slechts enkele centimeters tot decimeters om de paal heen vervormen. Het effect doet zich vooral voor aan de boven- en onderkant van lagen. Dat betekent dat het slaan van palen bij een fijne gelaagdheid dus verstorender is dan bij dikke lagen. Ook als een paal door muurwerk of hout wordt geslagen, blijven de structuren voor de archeoloog meestal redelijk goed te ‘lezen’. Het verlies aan informatie is dus, als de palen niet al te dicht op elkaar staan, over het algemeen beperkt. Maar wat is een acceptabel verlies? Kunnen we van tevoren zeggen dat een bepaald percentage bodemverstoring ‘mag’? En dat gemeenten een leidraad kunnen opstellen met voorwaarden waarmee een projectontwikkelaar aan de slag kan? Dat is helaas toch niet zo simpel.

Verschillen tussen gebieden

Tijdens de discussie bleek er een behoorlijk verschil te zijn tussen historische binnensteden en overige gebieden. In de binnensteden is sprake van stapeling van archeologische pakketten en kan je ervan uitgaan dat in het hele ontwikkelingsgebied archeologische resten voorkomen. In dat geval is het percentage verstoring van het plangebied hetzelfde als het percentage verstoring van de vindplaats. Bovendien is er sprake van een zekere voorspelbaarheid. Uit oude kaarten is redelijk bekend wat er op een bepaald perceel te verwachten is, zodat je passende maatregelen kunt nemen. Bijvoorbeeld het palenplan aanpassen, of toch een opgraving. Buiten de historische kernen kan je met hele andere soorten vindplaatsen te maken krijgen, bijvoorbeeld kleine prehistorische begraafplaatsen, heiligdommen, of verspreid liggende erven. Het percentage verstoring van het plangebied is hier vaak niet hetzelfde als het percentage verstoring van de vindplaats. Hier kan een kleine verstoring veel informatieverlies veroorzaken. In een dergelijk geval is het belangrijk om van te voren de aard, omvang en de waarde van de vindplaats vast te stellen, voordat een besluit wordt genomen om eventuele voorwaarden te stellen aan een omgevingsvergunning m.b.t. het palenplan.

Archeologievriendelijk bouwen met heipalen

Het Erfgoedteam was het er over eens dat heipalen en archeologievriendelijk bouwen samen gaan. En dat een zekere mate van informatieverlies acceptabel is. Dat gaat echter wel onder voorwaarden, zoals een archeologievriendelijk palenplan. In de praktijk blijkt dat het palenplan van een gebouw meestal probleemloos kan worden aangepast om het archeologievriendelijker te maken. Men kan meestal toe met minder palen dan gepland (dat is vaak ook goedkoper!), de afstand tussen palen kan anders en palen kunnen zo nodig op een andere plaats worden gezet waardoor archeologische gegevens in de bodem behouden kunnen blijven. Ook hier geldt weer: hou zo vroeg mogelijk in het planproces rekening met archeologie, dat zou zo maar eens een hoop geld kunnen schelen.

Tips voor het omgaan met archeologievriendelijk bouwen en heipalen

  • Er moet ruimte tussen de heipalen zijn voor toekomstig onderzoek. De adviesafstand tussen de palen is 4m;
  • De bodemverstoring bestaat zelden uit alleen maar palen: er komen kabels en leidingen, een liftschacht, kruipruimte en een balkenlaag. Neem dit mee in de afweging over voorwaarden aan het bouwplan;
  • Let er op dat bij herontwikkelingslocaties een opstapeling van palen kan ontstaan (het oude palenplan + het nieuwe). Is er dan nog genoeg ruimte voor toekomstig archeologisch onderzoek?
  • Houd rekening met het verschil tussen de grondsoorten, in veen vindt veel minder verstoring plaats dan in zand- en kleigrond;
  • Er ontstaat veel schade aan vindplaatsen door het uittrekken of -graven van palen. Dit niet toestaan zonder voorafgaand of begeleidend archeologisch onderzoek;
  • Hoe beter je weet om wat voor vindplaats het gaat, hoe beter je kunt adviseren over het palenplan. Het is misschien mogelijk om net dat belangrijke archeologische spoor te ontzien. In binnensteden zijn dat vaak de rooilijn en de randen van de kavels. Afhankelijk van de beschikbare kennis kan daarvoor (bureau-)onderzoek nodig zijn. Soms, en vooral in het buitengebied, kan een waarderend onderzoek nodig zijn. Afhankelijk van de locatie kan dit een booronderzoek of een proefsleuvenonderzoek zijn;
  • Net zoals je verschillende archeologische verwachtingsgebieden hebt binnen een gemeente, heb je gebieden waar je al van tevoren een richtlijn kunt opstellen voor heipalen, en gebieden waar maatwerk nodig is;
  • Reken erop dat er meestal maatwerk nodig is!
  • Toekomstig onderzoek wordt waarschijnlijk tijdrovender en dus duurder als het tussen de heipalen moet plaatsvinden, zeker als het om een diepliggende vindplaats gaat. Wil je die wissel op de toekomst trekken;
  • Heipalen gaan tot een diepte die met regulier archeologisch onderzoek meestal niet wordt bereikt, in Noord-Holland bijvoorbeeld de pleistocene zandlaag. Bij een dicht palenplan is het redelijk om middels boringen vast te stellen of er sprake is van een vindplaats op diepte, ook al leidt deze kennis waarschijnlijk niet tot een opgraving. Kenniswinst is ook een doel van de archeologische monumentenzorg.

(Beeldverantwoording: Archeomedia)